ECLI:NL:HR:2002:AF2283
Hoge Raad
- Cassatie
- E. Korthals Altes
- J.C. van Oven
- C.J.J. van Maanen
- Rechtspraak.nl
Ontvankelijkheid cassatieberoep bij schriftelijke verklaring ex art. 52 Onteigeningswet
In deze zaak stond de ontvankelijkheid van een cassatieberoep centraal, waarbij eiser een schriftelijke verklaring ex artikel 52 van Pro de Onteigeningswet ter griffie had gedaan. De Staat betoogde dat deze verklaring mondeling moest worden afgelegd en dat het beroep daarom niet-ontvankelijk was.
De Hoge Raad overwoog dat hoewel artikel 52 lid 3 van Pro de Onteigeningswet uitgaat van een mondelinge verklaring ter griffie, een schriftelijke verklaring die tijdig ter griffie wordt ontvangen en met een griffieverklaring aan de wederpartij wordt betekend, evenzeer toereikend is om de cassatietermijn te waarborgen. Hierdoor is er geen reden om niet-ontvankelijkheid te aanvaarden.
De Hoge Raad verwierp het beroep van de Staat en bevestigde de ontvankelijkheid van het cassatieberoep. De overige middelen konden niet tot cassatie leiden en behoefden geen nadere motivering. De Hoge Raad veroordeelde eiser in de proceskosten van de Staat.
Uitkomst: Het cassatieberoep werd verworpen en het beroep werd als ontvankelijk erkend ondanks de schriftelijke verklaring ex artikel 52 Onteigeningswet.