ECLI:NL:PHR:2002:ZC8025
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vrijstelling schenkingsrecht voor verkrijging van toekomstige huurtermijnen onder inkomstenbelasting
De zaak betreft een cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage waarin de vrijstelling van schenkingsrecht op grond van art. 33 lid 1 ten Pro 9° Successiewet 1956 werd geweigerd voor de schenking van aanspraken op toekomstige huurtermijnen. De belanghebbende had van haar moeder een aandeel in twaalf nog niet verschenen huurtermijnen geschonken gekregen. De Inspecteur had de vrijstelling geweigerd en de waarde van het recht op deze termijnen gewaardeerd als een recht op periodieke uitkeringen, waarna een vermindering werd toegepast wegens inkomstenbelastingheffing over de huurtermijnen.
De Hoge Raad bespreekt uitgebreid de eis van juridische gelijkheid van het object waarop schenkingsrecht en inkomstenbelasting worden geheven. Uit jurisprudentie en parlementaire geschiedenis blijkt dat de vrijstelling slechts van toepassing is indien hetzelfde object in juridische zin aan beide belastingen is onderworpen. De Hoge Raad volgt de opvatting dat de aanspraak op toekomstige huurtermijnen en de huurtermijnen zelf juridisch hetzelfde object vormen, zodat de vrijstelling van toepassing is.
De waardering van de verkrijging door de Inspecteur wordt als analoog toegepast, maar de Hoge Raad benadrukt dat het hier niet gaat om een recht van vruchtgebruik of onzeker recht op periodieke uitkeringen. Tevens wordt besproken dat de aftrek van schenkingsrecht voor inkomstenbelasting slechts gedeeltelijke compensatie biedt. Het cassatieberoep wordt gegrond verklaard, het arrest van het hof vernietigd en de zaak verwezen naar een ander gerechtshof voor verdere behandeling.
Uitkomst: De vrijstelling van schenkingsrecht op grond van art. 33 lid 1 ten 9° Sw 1956 geldt ook voor de schenking van aanspraken op toekomstige huurtermijnen.