ECLI:NL:HR:2002:ZC8025
Hoge Raad
- Cassatie
- E. Korthals Altes
- L. Monné
- P.J. van Amersfoort
- A.R. Leemreis
- C.J.J. van Maanen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling toepassing vrijstelling schenkingsrecht op toekomstige huurtermijnen
Belanghebbende kreeg een aanslag in het recht van schenking opgelegd over twee schenkingen door Y, welke na bezwaar werd verminderd tot een aanslag op een verkrijging van ƒ 257.027. Tegen deze uitspraak werd beroep ingesteld bij het Hof, dat de uitspraak bevestigde. Belanghebbende stelde vervolgens beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.
De Hoge Raad oordeelde dat het Hof terecht had geoordeeld dat het recht op toekomstige huurtermijnen niet kan worden vereenzelvigd met het feitelijk ontvangen van huurpenningen en dat de vrijstelling van artikel 33, lid 1, aanhef en ten 9e, van de Successiewet 1956 daardoor niet van toepassing is. De vrijstelling beoogt dubbele heffing te voorkomen wanneer het geschonken object overeenkomt met het object waarover inkomstenbelasting wordt geheven, maar toekomstige huurtermijnen zijn onzeker en kunnen bijvoorbeeld door emigratie of schenking aan derden buiten de inkomstenbelasting vallen.
Het tweede middel, dat stelde dat niet een recht op een aantal toekomstige huurtermijnen is geschonken maar afzonderlijke vorderingen, faalde eveneens omdat de vrijstelling alleen geldt indien het geschonkene een bestanddeel van het inkomen vormt. De Hoge Raad verklaarde het beroep ongegrond en wees een veroordeling in proceskosten af.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de vrijstelling van de Successiewet 1956 is niet van toepassing op rechten op toekomstige huurtermijnen.