ECLI:NL:PHR:2002:ZE0001
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad oordeelt over ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel en redelijke termijn cassatie
In deze zaak heeft het gerechtshof aan verzoeker de verplichting opgelegd om ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel een bedrag van fl. 453.000,- aan de Staat te betalen, onder dreiging van vervangende hechtenis van 36 maanden. Verzoeker stelde meerdere cassatiemiddelen voor, waaronder overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase, onjuiste bewijsvoering, en onjuiste motivering van het hof.
De Hoge Raad oordeelt dat de datum van betekening van de aanzegging ex art. 435 Sv Pro niet relevant is voor de beoordeling van de redelijke termijn in cassatie. De redelijke termijn wordt beoordeeld vanaf het instellen van het cassatieberoep tot de eerste behandeling door de Hoge Raad. De klachten over termijnoverschrijding worden verworpen.
Verder bevestigt de Hoge Raad dat het wederrechtelijk verkregen voordeel toekomt aan de veroordeelde en niet aan de rechtspersoon [A] BV, omdat de bankrekening op naam van verzoeker en zijn mededader stond en zij over de gelden konden beschikken. De rentevergoeding over inbeslaggenomen geld wordt afgewezen, omdat de ontnemingsmaatregel gericht is op het terugbrengen van de vermogenspositie tot de situatie zonder onrechtmatig handelen.
Het hof heeft echter onvoldoende gemotiveerd waarom de vervangende hechtenis op 36 maanden is gesteld, terwijl de rechtbank slechts 7 dagen had opgelegd. De Hoge Raad vernietigt daarom dit onderdeel van het vonnis en verwijst de zaak terug voor herbeoordeling van de duur en motivering van de vervangende hechtenis.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofbesluit over de vervangende hechtenis wegens onvoldoende motivering en verwijst de zaak terug voor nieuwe behandeling.