ECLI:NL:PHR:2003:AE9405
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over omzetbelasting en overdrachtsbelasting bij levering van nieuw vervaardigde onroerende zaken
In deze zaak staat centraal of de levering van twee complexen onroerende zaken op 5 februari 1999 als levering van nieuw vervaardigde onroerende zaken moet worden aangemerkt, waardoor omzetbelasting verschuldigd is en overdrachtsbelasting vrijgesteld kan worden. Het hof had geoordeeld dat de onroerende zaken ten tijde van de levering als nieuw vervaardigd moesten worden beschouwd, omdat belanghebbende een proces in gang had gezet dat tot een nieuw vervaardigde onroerende zaak zou leiden.
De staatssecretaris stelde cassatieberoep in tegen dit oordeel. De Hoge Raad overweegt dat het toetsingsmoment voor het vervaardigingsbegrip het moment van levering is en dat het hof niet heeft vastgesteld of de onroerende zaken op dat moment daadwerkelijk als nieuw vervaardigd konden worden aangemerkt. De jurisprudentie bevestigt dat alleen als op het leveringsmoment sprake is van een vervaardigd goed, omzetbelasting verschuldigd is.
De Hoge Raad verwijst de zaak terug voor nader onderzoek naar de feitelijke hoedanigheid van de onroerende zaken op het moment van levering. De conclusie is dat het hof een onjuiste juridische maatstaf heeft toegepast en onvoldoende feiten heeft vastgesteld. De zaak wordt vernietigd en verwezen naar een ander hof voor verdere behandeling.
De uitspraak benadrukt het belang van het leveringsmoment als beslissend moment voor de omzetbelastingheffing en verduidelijkt de toepassing van het vervaardigingsbegrip in het kader van onroerende zaken, met name bij sloop, verbouwing en bouwrijp maken van grond.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard, het arrest van het hof vernietigd en de zaak verwezen voor nader onderzoek naar de hoedanigheid van de onroerende zaken op het leveringsmoment.