ECLI:NL:PHR:2003:AF1897
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Rechtsgevolgen van fiscale afspraak over omzetbelasting bij privatisering wasserij ziekenhuis
In deze zaak staat de rechtsgevolgen centraal van een afspraak tussen een fiscale eenheid (belanghebbende) en de Inspecteur inzake de omzetbelasting over de privatisering van de wasserijactiviteiten van ziekenhuis F. Ziekenhuis F droeg haar wasserijactiviteiten over aan D B.V., waarbij afspraken werden gemaakt over het buiten de heffing laten van een vast bedrag van ƒ 10.000 per week aan omzetbelasting ter compensatie van hogere personeelskosten.
Tijdens een boekenonderzoek in 1995 constateerde de Belastingdienst crediteringen die verband hielden met deze afspraak, maar stelde geen naheffing vast. Later stelde de Inspecteur dat de crediteringen niet overeenkwamen met de gemaakte afspraken en legde naheffingsaanslagen op. Belanghebbende betoogde dat zij mocht vertrouwen op de afspraak en het handelen van de Inspecteur, maar het Hof verwierp dit beroep op het vertrouwensbeginsel.
De Hoge Raad overweegt dat de afspraak niet als een bindende vaststellingsovereenkomst kan worden aangemerkt omdat er geen onzekerheid of geschil bestond, en dat de toezegging van de Inspecteur niet kan binden indien deze in strijd is met de omzetbelastingwet. Tevens oordeelt de Hoge Raad dat het beroep op het vertrouwensbeginsel terecht is verworpen omdat de afspraak evident in strijd was met de wet, waardoor belanghebbende niet op nakoming mocht rekenen. Het beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.