ECLI:NL:PHR:2003:AF3121
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Veroordeling voor illegale lozing en afvalverwijdering in oppervlaktewater en bodem
De zaak betreft de veroordeling van verdachte wegens drie milieudelicten in verband met zijn exploitatie van een jachthaven. Op 20 februari 1998 heeft verdachte baggerspecie zonder vergunning gestort in het winterbed van de Maas. Vervolgens heeft hij deze baggerspecie tussen 15 en 21 april 1998 verplaatst naar een perceel grond van zijn vader, eveneens zonder vergunning. Daarnaast heeft verdachte afvalwater van het afspuiten van een jacht zonder adequate zuivering in het oppervlaktewater geloosd.
Het Hof heeft bewezen verklaard dat verdachte opzettelijk handelde in strijd met het verbod op het zonder vergunning brengen van afvalstoffen in oppervlaktewater en het illegaal verwijderen van afvalstoffen buiten een inrichting, zoals gesteld in de Wet verontreiniging oppervlaktewateren en de Wet milieubeheer. Verdachte voerde te goeder trouw te hebben gehandeld, omdat hij dacht dat het slib niet verontreinigd was en het storten slechts tijdelijk was, maar dit verweer werd verworpen.
De Hoge Raad heeft de kwalificatie van de feiten verbeterd en het beroep van verdachte grotendeels verworpen. De bewezenverklaring is voldoende gemotiveerd, waarbij het opzet mede betrekking heeft op het handelen zonder vergunning. De strafbaarheid van de feiten is bevestigd, ondanks dat verdachte pas later wist dat het slib verontreinigd was. De zaak benadrukt de strenge controle op milieudelict en de verantwoordelijkheid van exploitanten van jachthavens voor correcte afvalverwijdering.
Uitkomst: Hoge Raad bevestigt veroordeling wegens illegale lozing en afvalverwijdering zonder vergunning.