ECLI:NL:PHR:2003:AF4159
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vernietiging arrest ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel en verwijzing naar ander hof
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem over de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit Opiumwetdelicten. Het hof had het voordeel vastgesteld op ruim 2,7 miljoen gulden en de ontneming opgelegd aan de veroordeelde.
De verdediging verzocht om het horen van infiltranten en informanten die betrokken waren bij het financieel onderzoek, maar het hof wees deze verzoeken af met motieven die de Hoge Raad onjuist acht. Zo werd het verzoek tot het horen van infiltrant A-814 afgewezen terwijl het hof zelf versluierde boodschappen in telefoongesprekken erkende die relevant waren voor de bewijsvoering.
Ook het verzoek om oproeping van informanten, wiens verklaringen aan de basis lagen van de berekening van het voordeel, werd onterecht afgewezen. Daarnaast werd een verzoek tot het horen van een anonieme briefschrijver afgewezen met een belangenafweging die de Hoge Raad aanvaardbaar achtte.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof onjuiste maatstaven heeft toegepast bij de afwijzing van getuigenverzoeken en dat het bewijs daardoor onvoldoende toetsbaar is. Ook is het onderzoek niet heropend ondanks nieuwe informatie. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en verwijst de zaak naar een ander hof voor hernieuwde berechting en afdoening.
Uitkomst: Het arrest van het Gerechtshof Arnhem wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar een ander hof voor hernieuwde berechting.