ECLI:NL:PHR:2003:AF5835
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad arrest over uitlevering en toetsing schending EVRM-rechten
De Rechtbank Utrecht verklaarde de uitlevering van de opgeëiste persoon aan Duitsland toelaatbaar wegens betrokkenheid bij drugshandel. De verdediging voerde aan dat de uitlevering onrechtmatig was vanwege schendingen van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), met name artikel 6 en Pro 8, onder meer door onrechtmatige bewijsgaring in Nederland.
De Hoge Raad overwoog dat het niet aan de uitleveringsrechter is om de rechtmatigheid van het strafonderzoek in Nederland te toetsen, tenzij sprake is van een niet meer af te wenden flagrante schending van fundamentele rechten. Het vermeende gebrek aan wettelijke formaliteiten bij het afluisteren van de telefoon van de opgeëiste persoon weegt niet op tegen het folterverbod of flagrante schending van artikel 6 EVRM Pro.
De Hoge Raad bevestigde dat de opgeëiste persoon zijn klachten over schendingen van artikel 8 EVRM Pro bij de Duitse rechter kan voorleggen. Tevens oordeelde de Hoge Raad dat het vertrouwensbeginsel geldt dat Duitsland het EVRM naleeft, tenzij anders bewezen.
Tenslotte vernietigde de Hoge Raad het deel van de uitspraak waarin het feit waarvoor uitlevering wordt gevraagd werd gekwalificeerd als deelneming aan een criminele organisatie onder artikel 140 Sr Pro, omdat Duitsland een andere wettelijke grondslag hanteert (§ 30a Betäubungsmittelgesetz). Het beroep wordt verder verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de toelaatbaarheid van de uitlevering en vernietigt slechts de kwalificatie onder artikel 140 Sr.