ECLI:NL:PHR:2003:AF5892
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verzoek tot zekerheidstelling bij uitvoerbaarverklaring bij voorraad in faillissement
De zaak betreft een incident in een faillissementsprocedure waarbij eiser, vader van de gefailleerde, een vordering tot zekerheidstelling indient tegen de curator. De curator had eiser veroordeeld tot betaling van een bedrag wegens onrechtmatig handelen jegens de faillissementsboedel. Na diverse procedures werd het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard en werd eiser veroordeeld tot betaling.
Eiser vordert zekerheidstelling door de curator omdat hij vreest dat de curator na vernietiging van het arrest niet in staat zal zijn het betaalde bedrag terug te betalen, vooral gezien de aangekondigde afwikkeling van het faillissement. De curator bestrijdt dit en wijst erop dat eiser onvoldoende gronden heeft aangevoerd en dat de kans van slagen van het cassatieberoep buiten beschouwing moet blijven.
De Hoge Raad overweegt dat het enkele risico van onverhaalbaarheid onvoldoende is voor zekerheidstelling. Het belang van de curator bij afwikkeling van het faillissement weegt mee, tenzij aannemelijk is dat de boedel negatief zal zijn en de curator voortijdig afwikkelt. Omdat eiser niet heeft aangetoond dat de curator daadwerkelijk tot afwikkeling overgaat of dat de boedel negatief is, wordt het verzoek afgewezen.
De Hoge Raad benadrukt dat de curator zich in beginsel moet onthouden van afwikkeling van het faillissement zolang de procedure niet is afgerond, omdat hij anders op eigen risico handelt en aansprakelijk kan zijn voor schade. De vordering tot zekerheidstelling moet goed gemotiveerd zijn met concrete gegevens over de boedel en het restitutierisico.
De conclusie van de Procureur-Generaal luidt tot afwijzing van het verzoek tot zekerheidstelling, met veroordeling van eiser in de kosten van het incident.
Uitkomst: Het verzoek tot zekerheidstelling wordt afgewezen wegens onvoldoende motivering omtrent het restitutierisico.