ECLI:NL:PHR:2003:AF6625
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt ontruiming woning na echtscheiding onder voorwaarden vervangende woonruimte
De zaak betreft een geschil tussen partijen over het gebruik en ontruiming van een voormalige echtelijke woning na ontbinding van het huwelijk. Eiseres en verweerder 1 waren gehuwd met huwelijkse voorwaarden en hebben een dochter. Na echtscheiding is de woning, juridisch eigendom van een B.V. waarvan verweerder 1 aandeelhouder is, onderwerp van een kort geding geworden.
Eiseres had conservatoir beslag gelegd op de woning als verhaalsobject voor haar alimentatievorderingen en aanspraken uit de huwelijkse voorwaarden. Verweerders vorderden ontruiming en opheffing van het beslag om levering aan een derde mogelijk te maken. De voorzieningenrechter stelde voorwaarden aan de ontruiming, waaronder storting van bedragen voor vervangende woonruimte en zekerheidstelling.
Het hof heeft het vonnis van de President bekrachtigd maar het dictum op onderdelen gewijzigd, met name de voorwaarden voor ontruiming en opheffing van het beslag. Eiseres stelde dat het dictum onduidelijk was en tot interpretatieverschillen leidde. De Hoge Raad oordeelt dat de vermeende onduidelijkheid berust op een verschrijving en dat de uitleg van eiseres correct is: ontruiming is pas verplicht nadat de gestelde voorwaarden zijn vervuld.
De Hoge Raad concludeert dat het cassatieberoep ongegrond is en bevestigt het arrest van het hof, waarbij zij tevens opmerkt dat de weg van rectificatie in dit geval de aangewezen procedure is voor het corrigeren van dergelijke verschrijvingen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bevestigd, waarbij eiseres tot ontruiming van de woning wordt veroordeeld onder voorwaarden.