ECLI:NL:PHR:2003:AF7562
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling renteaftrek bij financiering van aanmerkelijk belang na wetswijziging 1997
Belanghebbende financierde de aankoop van aandelen in D B.V. met een banklening en bracht renteaftrek in mindering op zijn inkomen. Na overdracht van deze aandelen aan C BV, een vennootschap waarin hij een aanmerkelijk belang had, ontstond discussie over de aftrekbaarheid van de rente op de banklening die nu mede diende ter financiering van aandelen in C BV.
De Wet van 13 december 1996 wijzigde het regime van winst uit aanmerkelijk belang en beperkte de aftrek van rente als persoonlijke verplichting. Artikel 3c Uitvoeringsregeling IB 1990 gaf een faciliteit voor renteaftrek tegen het progressieve tarief bij reële bedrijfsovernames, maar deze faciliteit geldt niet indien de aandelen via een eigen vennootschap worden verkregen en de lening in privé wordt aangegaan.
De Hoge Raad oordeelde dat de overdracht van aandelen D B.V. aan C BV niet kan worden aangemerkt als een bedrijfsovername in de zin van artikel 3c, omdat de aandelen in C BV niet via koop maar via emissie zijn verkregen en belanghebbende al een aanmerkelijk belang in C BV had. De renteaftrek tegen het progressieve tarief is daarom niet van toepassing.
Daarnaast werd geoordeeld dat rente van ƒ 3.960 die belanghebbende had opgevoerd als rente op de eigen woning wel aftrekbaar is, in afwijking van het oordeel van het Hof. De uitspraak van het Hof en de aanslag werden vernietigd en verminderd tot een belastbaar inkomen met toepassing van het 25%-tarief op het grootste deel.
De zaak betreft een complexe fiscale beoordeling van renteaftrek in het kader van aanmerkelijk belang en bedrijfsovernames, waarbij de formele wetgever een duidelijke keuze heeft gemaakt die door de rechter gerespecteerd moet worden.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofarrest en vermindert de aanslag, waarbij rente op de eigen woning aftrekbaar is en rente op aandelenfinanciering belast wordt tegen 25%.