ECLI:NL:PHR:2003:AK8321
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt niet-ontvankelijkheid huurder bij overschrijding wettelijke termijn voortzetting huurovereenkomst
In deze zaak stond centraal of de huurder, die na het overlijden van haar moeder de woning bleef bewonen en huur betaalde, recht had op voortzetting van de huurovereenkomst ondanks het niet tijdig instellen van een vordering binnen de wettelijke termijn van zes maanden. De huurder stelde dat sprake was van stilzwijgende voortzetting en gerechtvaardigd vertrouwen door het uitblijven van een duidelijke afwijzing door de verhuurder.
De kantonrechter wees de vordering af wegens het ontbreken van een huurovereenkomst en niet-ontvankelijkheid op grond van het niet tijdig instellen van de vordering. De rechtbank vernietigde dit vonnis en oordeelde dat de huurder de huur onder de huidige voorwaarden mocht voortzetten. De verhuurder stelde cassatie in tegen deze uitspraak.
De Hoge Raad vernietigde het vonnis van de rechtbank en bevestigde dat de huurder niet-ontvankelijk is in haar vordering tot voortzetting van de huurovereenkomst omdat zij de wettelijke termijn van zes maanden had overschreden zonder dat sprake was van onaanvaardbaarheid van het beroep op deze termijn door de verhuurder. De Hoge Raad bepaalde tevens dat de ontruiming van de woning uiterlijk twee weken na het arrest moet plaatsvinden.
Uitkomst: De huurder wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot voortzetting van de huurovereenkomst en moet de woning binnen twee weken na arrest ontruimen.