ECLI:NL:PHR:2003:AL6190

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
11 november 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00112/03 P
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 435 SvArt. 511e SvArt. 511g SvArt. 345 Sv
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Redelijke termijn overschreden bij uitspraak in hoger beroep ontnemingszaak

In deze zaak klaagt de veroordeelde over een schending van de redelijke termijn sinds het sluiten van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep. Het onderzoek begon op 9 april 2001 en werd op 5 oktober 2001 gesloten, met de mededeling dat de uitspraak op 2 november 2001 zou volgen. De uitspraak liet echter bijna elf maanden op zich wachten en vond pas plaats op 29 augustus 2002.

De Procureur-Generaal stelt vast dat deze vertraging niet gerechtvaardigd is door omstandigheden in het dossier en dat de veroordeelde niet op de hoogte is gesteld van de langere termijn. Hoewel artikel 511e lid 1 onder b Sv de rechter in ontnemingszaken niet bindt aan de termijn van veertien dagen voor uitspraak, mocht de veroordeelde vertrouwen op de aangekondigde datum.

De conclusie luidt dat de redelijke termijn is overschreden, maar dat dit niet automatisch leidt tot vernietiging van het arrest. De Procureur-Generaal adviseert een passende vermindering van het bedrag dat aan de Staat moet worden betaald ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, zonder de uitkomst van de hoofdzaak af te wachten.

Er zijn geen aanwijzingen voor andere gronden tot vernietiging, en de zaak hangt samen met een andere zaak waarin ook een conclusie is genomen. De zaak betreft een ontnemingsmaatregel opgelegd door het Gerechtshof Arnhem.

Uitkomst: De redelijke termijn is overschreden, wat leidt tot een vermindering van het te betalen bedrag aan de Staat, zonder vernietiging van het arrest.

Conclusie

Nr. 00112/03/P
Mr Machielse
Zitting 30 september 2003
Conclusie inzake:
[veroordeelde=betrokkene](1)
1. Het Gerechtshof te Arnhem heeft aan veroordeelde op 29 augustus 2002 de verplichting opgelegd ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel aan de Staat een bedrag te betalen van € 66.455,-.
2. Veroordeelde heeft cassatie ingesteld en mr J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, heeft een schriftuur ingezonden, houdende één middel van cassatie.
3.1. Het middel klaagt over een schending van de redelijke termijn sinds het sluiten van het onderzoek ter terechtzitting in appel.
De gang van zaken in hoger beroep is als volgt geweest:
- op 9 april 2001 is het onderzoek ter terechtzitting op tegenspraak aangevangen;
- op 23 april 2001 heeft het hof een tussenarrest gewezen. Volgens het tussenarrest zou het onderzoek ter terechtzitting worden hervat op 12 oktober 2001;
- het onderzoek ter terechtzitting is op 5 oktober 2001 hervat. Verdachte en zijn raadsman zijn beiden verschenen;
- het onderzoek ter terechtzitting is op 5 oktober 2001 gesloten en de voorzitter heeft medegedeeld dat de uitspraak zou plaatsvinden op 2 november 2001;
- het arrest is eerst gewezen op 29 augustus 2002;
- veroordeelde heeft op 10 september 2002 cassatie ingesteld;
- de bijlage bewijsmiddelen is ondertekend op 14 januari 2003;
- op 22 januari 2003 is het dossier bij de Hoge Raad ontvangen.
Het middel klaagt dat er sinds het sluiten van het onderzoek ter terechtzitting in appel tot aan de aanzegging ingevolge art. 435 lid 1 Sv Pro bijna 16 maanden zijn verstreken waardoor de redelijke termijn zou zijn overschreden.
3.2. Ik ben van oordeel dat de redelijke termijn inderdaad is overschreden, maar ik zou dat oordeel willen ophangen aan het tijdsverloop tussen het sluiten van het onderzoek ter terechtzitting en de uiteindelijke uitspraak in hoger beroep. Artikel 511e lid 1 onder b Sv bindt de rechter in een ontnemingszaak niet aan de termijn van veertien dagen voor uitspraak van art. 345 Sv Pro. De achtergrond hiervan is dat de complexiteit van de materie en de aard van de procedure, waarin wezenlijk andere vragen aan de orde zijn dan in de hoofdzaak, kunnen billijken dat de rechter niet aan een bepaalde termijn voor uitspraak wordt gebonden.(2) Maar in deze zaak heeft de voorzitter medegedeeld dat de uitspraak na een kleine maand zou plaatsvinden. Kennelijk heeft het hof gemeend dat de zaak meer tijd zou vergen voor uitspraak dan veertien dagen, maar dat ongeveer een maand wel voldoende zou zijn. Veroordeelde mocht erop vertrouwen dat inderdaad op de aangegeven datum uitspraak zou worden gedaan. Als het hof immers de zaak zó ingewikkeld zou hebben geoordeeld dat niet viel te voorzien wanneer de uitspraak gedaan zou kunnen worden zou het voor de hand hebben gelegen dat géén uitspraakdatum zou zijn bepaald, maar dat veroordeelde op de hoogte zou zijn gesteld zodra er wél een datum bekend zou zijn. Het arrest is evenwel niet op de aangekondigde dag gewezen, maar heeft na de sluiting van het onderzoek ter terechtzitting bijna 11 maanden op zich laten wachten. Het dossier bevat niets wat zo een vertraging kan verklaren, noch enig aanknopingspunt voor het vermoeden dat veroordeelde op de hoogte is gesteld van het feit dat het allemaal veel langer zou gaan duren.
Het middel is dus terecht voorgesteld.
3.3. In de hoofdzaak heb ik geconcludeerd tot vernietiging van het arrest. Ook dáár is de redelijke termijn overschreden. Indien Uw Raad die conclusie zou volgen zou dat voor deze zaak geen gevolg behoeven te hebben.(3) Het komt mij voor dat nu reeds besloten kan worden tot een vermindering van het aan de Staat te betalen bedrag wegens schending van de redelijke termijn in de ontnemingszaak zonder de uitkomst in het vervolg van de hoofdzaak af te wachten, als althans beide zaken uiteen gaan.
4. Ambtshalve heb ik geen grond gevonden die tot vernietiging aanleiding behoort te geven. Deze conclusie strekt tot vermindering van de aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel te betalen som gelds met een bedrag dat aan Uw Raad passend voorkomt.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 Deze zaak hangt samen met de zaak onder nr. 00113/03/E waarin ik ook vandaag conclusie neem.
2 Kamerstukken II 1989-1990, 21 504, nr. 3, p. 37. Zie ook Kamerstukken II 1991-1992, 21 504, nr. 8, p. 5.
3 HR NJ 1999,75.