ECLI:NL:PHR:2003:AM2379
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt dat alimentatiebehoefte mede wordt bepaald door welstand tijdens huwelijk inclusief gespaard vermogen
De zaak betreft een geschil over de hoogte van de alimentatie die de man aan de vrouw moet betalen na hun echtscheiding. Partijen waren in gemeenschap van goederen gehuwd en leefden gedurende het huwelijk van een aanzienlijk inkomen uit de onderneming van de man. De vrouw vorderde een alimentatie van f 13.700 per maand, gebaseerd op de welstand tijdens het huwelijk en haar behoefte om haar levensstandaard voort te zetten.
De man betwistte de behoefte van de vrouw en stelde dat partijen slechts leefden van een netto inkomen van f 5.000 per maand, waarbij hij wees op de privé-uitgaven en de fiscale lasten. Zowel de Rechtbank als het Hof oordeelden dat de alimentatie mede moet worden bepaald aan de hand van de welstand tijdens het huwelijk, waarbij niet alleen gekeken wordt naar de consumptieve bestedingen maar ook naar het deel van het inkomen dat werd gespaard en belegd.
De Hoge Raad bevestigt deze lijn en verwerpt de klachten van de man dat het Hof ten onrechte het gehele inkomen van de man als maatstaf zou hebben genomen. De Hoge Raad benadrukt dat de welstand van partijen mede tot uitdrukking kan worden gebracht door het vermogen om het gezamenlijk inkomen niet geheel te consumeren, maar een gedeelte daarvan te sparen of te beleggen. De vrouw moet ook na ontbinding van het huwelijk in staat zijn om haar levensstandaard voort te zetten, inclusief de mogelijkheid om pensioenvoorzieningen op te bouwen.
De Hoge Raad wijst het beroep van de man af en bevestigt het oordeel van het Hof dat de alimentatie wordt vastgesteld op basis van de welstand tijdens het huwelijk, inclusief het gespaarde vermogen en de noodzaak van pensioenopbouw.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de alimentatiebehoefte mede wordt bepaald door de welstand tijdens het huwelijk inclusief gespaard vermogen.