ECLI:NL:PHR:2004:AN8071
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt terughoudendheid rechter bij toetsing steun Nederlandse regering aan militaire acties VS na 11 september
Deze zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest waarin de Nederlandse regering werd toegestaan steun te verlenen aan militaire acties van de Verenigde Staten en haar bondgenoten na de aanslagen van 11 september 2001, zonder dat de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties daarvoor een expliciete machtiging had gegeven.
Eiseressen, waaronder de Vereniging van Juristen voor de Vrede en politieke partijen, vorderden dat de Staat zou worden verboden steun te verlenen aan deze militaire acties en dat zij een mededeling zou doen aan de VS, bondgenoten en de VN dat dergelijk geweld onverenigbaar is met het geweldverbod en het Handvest van de Verenigde Naties. De Staat voerde verweer dat de acties gerechtvaardigd waren op grond van het recht op zelfverdediging volgens artikel 51 van Pro het VN-Handvest.
De rechtbank en het hof oordeelden dat de vorderingen niet toewijsbaar waren omdat de bepalingen van het VN-Handvest waarop eiseressen zich beroepen niet een ieder verbindende bepalingen zijn waarop burgers zich voor de nationale rechter kunnen beroepen. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en benadrukt de terughoudendheid van de rechter bij toetsing van het buitenlands beleid, mede vanwege de discretionaire bevoegdheid van de regering en het ontbreken van een internationale consensus over de rechtmatigheid van de militaire acties.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst het cassatieberoep af en bevestigt dat de rechter niet bevoegd is de Nederlandse regering te verbieden steun te verlenen aan militaire acties van de VS zonder Veiligheidsraad-machtiging.