ECLI:NL:PHR:2004:AO1428
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van het rechtstreekse verhaalsrecht bij samenloop van WAM-verzekeringen voor vervangende motorrijtuigen
In deze zaak staat centraal of een benadeelde op grond van artikel 6 van Pro de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (WAM) een rechtstreeks vorderingsrecht heeft jegens een verzekeraar die dekking biedt voor een vervangend motorrijtuig tijdens reparatie van het hoofdvoertuig.
De feiten betreffen een aanrijding tussen een Toyota, verzekerd bij Bovemij, en een Mercedes, verzekerd bij Stad Rotterdam. De Toyota was een vervangend voertuig dat door een garage aan Intra Holland was verstrekt. Nationale-Nederlanden (NN) verzekerde de hoofdauto van Intra Holland en bood ook dekking voor het vervangende voertuig via een zogenaamde WAM-strik in haar polis.
De Rechtbank en het Hof Arnhem oordeelden dat NN niet als WAM-verzekeraar kan worden aangemerkt voor het vervangende voertuig en dat de benadeelde geen rechtstreeks recht op grond van artikel 6 WAM Pro jegens NN heeft. Wel kan er sprake zijn van een derdenbeding dat een eigen recht aan de benadeelde toekent. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en benadrukt dat de WAM slechts ziet op de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van een bepaald motorrijtuig, niet op vervangende voertuigen. De WAM-strik kan wel een contractueel derdenbeding zijn, maar dit vloeit niet voort uit de wet. De Hoge Raad wijst tevens op het belang van partij-autonomie en het feit dat de rechtsstrijd beperkt was tot de vraag of NN rechtstreeks aansprakelijk is op grond van artikel 6 WAM Pro.
Uitkomst: NN kan niet op grond van artikel 6 WAM door Bovemij worden aangesproken voor schade veroorzaakt door het vervangende motorrijtuig.