ECLI:NL:PHR:2004:AO2272
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vernietiging en terugwijzing ontnemingsmaatregel wegens onjuiste toepassing betalingsregeling
In deze zaak betrof het een cassatieberoep tegen een arrest van het hof Amsterdam waarin aan een veroordeelde een betalingsverplichting ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel was opgelegd. Het hof had toegestaan dat het bedrag in termijnen betaald mocht worden, analoog aan art. 24a Sr. De Hoge Raad oordeelt dat art. 24a Sr niet van toepassing is op ontnemingsmaatregelen en dat analoge toepassing daarvan onjuist is.
De veroordeelde had tevens een betalingsverplichting aan het Ministerie van Defensie wegens verduistering, welke in mindering was gebracht op het ontnemingsbedrag. Het hof had de samenloop van betalingsverplichtingen als betalingsonmacht beoordeeld, maar had onvoldoende onderzocht of op grond van art. 36e, vierde lid, Sr een lagere betalingsverplichting moest worden opgelegd.
De Hoge Raad benadrukt dat de rechter bij het opleggen van de maatregel alleen kan toetsen of de veroordeelde niet in staat zal zijn te betalen binnen de wettelijke termijn en dat het openbaar ministerie bevoegd is om te bepalen hoe de tenuitvoerlegging plaatsvindt. Verder wijst de Hoge Raad op de overschrijding van de redelijke termijn in de procedure en stelt dat het hof na terugwijzing de betalingsverplichting opnieuw moet vaststellen en moet afzien van vervangende hechtenis.
De zaak wordt vernietigd en terugverwezen naar het hof Amsterdam voor een nieuwe beoordeling van de betalingsverplichting en de toepassing van de maatregel.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde vaststelling van de betalingsverplichting zonder toepassing van art. 24a Sr.