ECLI:NL:HR:2003:AF9473
Hoge Raad
- Cassatie
- W.J.M. Davids
- G.J.M. Corstens
- J.P. Balkema
- A.J.A. van Dorst
- W.A.M. van Schendel
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt vervangende hechtenis bij ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel
In deze zaak stond een beroep in cassatie centraal tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage waarin aan betrokkene de verplichting was opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 185.920,14, verkregen door middel van oplichting, en subsidiair 36 maanden hechtenis (vervangende hechtenis).
Het hof had betrokkene vrijgesproken van verduistering, maar geoordeeld dat hij zich wederrechtelijk meester had gemaakt van het bedrag door middel van een strafbaar feit dat soortgelijk werd geacht aan bewezenverklaarde feiten. Op grond daarvan werd de betalingsverplichting opgelegd.
De Hoge Raad oordeelde dat de procedure en de oplegging van de betalingsverplichting niet in strijd zijn met het recht op een eerlijk proces en de onschuldpresumptie. Wel vernietigde de Hoge Raad ambtshalve het deel van het arrest waarin vervangende hechtenis was opgelegd, vanwege de inwerkingtreding van de Wet aanpassing ontnemingswetgeving per 1 september 2003, die lijfsdwang in plaats van vervangende hechtenis introduceert.
De Hoge Raad bevestigde dat de betalingsverplichting blijft bestaan, maar dat de tenuitvoerlegging van vervangende hechtenis achterwege moet blijven en dat het openbaar ministerie bevoegd is om lijfsdwang te vorderen volgens de nieuwe wetgeving.
Het beroep werd voor het overige verworpen, en het arrest werd uitgesproken door de Strafkamer van de Hoge Raad op 7 oktober 2003.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de vervangende hechtenis en bevestigt de betalingsverplichting tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.