ECLI:NL:PHR:2004:AO3045
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt aansprakelijkheid bestuurders voor kennelijk onbehoorlijke taakvervulling bij dividenduitkering voorafgaand aan faillissement
In deze zaak stond de vraag centraal of het bestuur van Loodgieters- en Installatiebedrijf [A] B.V. (LIR) en haar aandeelhouder RDB aansprakelijk konden worden gehouden voor het tekort in het faillissement van LIR. RDB had als enig aandeelhouder besloten tot een dividenduitkering van ƒ 950.000,=, deels voldaan door verrekening met een vordering van LIR op RDB. Kort daarna werd LIR failliet verklaard.
De curator stelde dat het bestuur kennelijk onbehoorlijk had gehandeld door medewerking te verlenen aan deze dividenduitkering, waardoor de belangen van de schuldeisers waren geschaad. De rechtbank en het hof bevestigden dit oordeel en veroordeelden RDB en haar bestuurder [eiser 2] hoofdelijk tot betaling van het tekort. Het hof oordeelde dat geen redelijk denkend bestuurder onder de omstandigheden zou hebben ingestemd met een dergelijke abrupte ontvlechting die de solvabiliteit en liquiditeit van LIR ernstig aantastte.
De Hoge Raad verwierp de cassatieklachten van RDB en [eiser 2]. Hij bevestigde dat de dividenduitkering onrechtmatig was jegens de faillissementscrediteuren en dat de bestuurders aansprakelijk waren op grond van artikel 2:248 BW Pro en 2:11 BW. Ook het beroep op matiging en disculpatie werd afgewezen. De Hoge Raad benadrukte dat het bestuur haar taak kennelijk onbehoorlijk had vervuld door het eigen belang van RDB boven dat van de vennootschap en haar schuldeisers te stellen.
Uitkomst: Hoge Raad bevestigt aansprakelijkheid bestuurders voor tekort in faillissement wegens kennelijk onbehoorlijke taakvervulling bij dividenduitkering.