ECLI:NL:PHR:2004:AO3075
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Aftrekbaarheid van ziektekosten als buitengewone lasten bij vermogen van de ondersteunde verwant
In deze zaak staat centraal of belanghebbende de door hem betaalde ziektekosten van zijn zoon, die over eigen vermogen beschikt, als buitengewone lasten kan aftrekken op grond van artikel 46, eerste lid, aanhef en onderdeel b van de Wet op de inkomstenbelasting 1964.
De feiten betreffen een medische noodzaak om de zoon per ambulancevlucht vanuit Zimbabwe naar Nederland te vervoeren, waarbij belanghebbende het grootste deel van de kosten droeg. De zoon had eigen vermogen en ontving later een bijstandsuitkering. Het Hof Arnhem oordeelde dat de draagkracht van de zoon buiten beschouwing moest blijven en dat de ziektekosten aftrekbaar waren voor zover ze boven de wettelijke drempel uitkwamen.
De staatssecretaris stelde cassatie in tegen dit oordeel. De Hoge Raad concludeert dat het Hof een onjuiste rechtsopvatting heeft gehuldigd door geen rekening te houden met het vermogen van de zoon. De zaak wordt verwezen voor nader onderzoek naar de vraag of belanghebbende zich redelijkerwijs gedrongen kon voelen de kosten te dragen, waarbij de financiële positie van de zoon relevant is.
De conclusie benadrukt dat het criterium van morele verplichting ('gedrongenheid') essentieel is voor de aftrekbaarheid van buitengewone lasten en dat dit criterium ook geldt bij ziektekosten betaald voor een verwant met eigen vermogen. De zaak wordt vernietigd en verwezen voor nadere beoordeling.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt gegrond verklaard, het arrest van het Hof vernietigd en de zaak verwezen voor nader onderzoek naar de morele gedrongenheid van belanghebbende om de ziektekosten te dragen.