Conclusie
1.Procesverloop
2.De feiten en het geschil
De feiten
3.De behandeling van het beroep in cassatie
Inleiding
BNB1986/298 en
BNB1986/299 van doorslaggevende betekenis. Evenals bij erflaatster ging het in die arresten om aftrek van – onder meer – uitgaven ter zake van laatste ziekte [24] van de overledene die uit de nalatenschap waren bestreden.
(…)
Voorts brengt meerbedoeld stelsel mede dat rechten en verplichtingen betreffende naar hun aard belastbare inkomsten en aftrekbare uitgaven die door de werking van de artikelen 33 en 38 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 ten tijde van het overlijden van de erflater nog niet door hem waren genoten onderscheidenlijk nog niet bij hem in aanmerking konden worden genomen, in het algemeen bij de overgang op de erfgenaam niet van aard veranderen en derhalve op de in de artikelen 33 en 38 bedoelde tijdstippen bij deze laatste als positieve respectievelijk negatieve inkomensbestanddelen in aanmerking worden genomen. Ook daarmede is niet in overeenstemming de aftrek van door erfgenamen gedane uitgaven als buitengewone lasten afhankelijk te stellen van de omvang van het nagelaten vermogen.
BNB1986/298 en 1986/299 heeft de Hoge Raad de kwestie echter beslist en gekozen voor de tweede benadering.
BNB1986/298 en 1986/299 maak ik op dat bij overledenen niet wordt afgeweken van het tijdstip van aftrek. Ook in die gevallen is het tijdstip van aftrek het moment waarop de uitgaven ter zake van persoonsgebonden aftrekposten zijn betaald, verrekend, rentedragend dan wel ter beschikking gesteld. Ingeval dat moment zich bij leven heeft voorgedaan, kunnen de kosten bij de overledene in aanmerking worden genomen.
BNB1986/298 en 1986/299 volgt dat de uitgaven voor specifieke zorgkosten van een overledene na overgang op de erfgenamen niet van aard veranderen. Indien en voor zover de rechten en verplichtingen onder algemene titel op de erfgenamen overgaan, gaat mijns inziens ook het recht op persoonsgebonden aftrek over. De erfgenaam treedt in het recht op aftrek van de overledene op dezelfde wijze als ten aanzien van uitgaven voor specifieke zorgkosten van de erfgenaam zelf. [31] In tegenstelling tot hetgeen belanghebbenden hebben betoogd, beperkt artikel 6.16 Wet IB 2001 derhalve het aftrekrecht van de erfgenamen niet.