ECLI:NL:PHR:2004:AO3291
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtstreekse schade bij opzetheling van gestolen auto
In deze zaak is de verdachte veroordeeld voor opzetheling van een gestolen auto. De benadeelde partij vorderde vergoeding van materiële schade ontstaan door een botsing tussen de gestolen auto en een politieauto tijdens de aanhouding. Het hof had de vordering toegewezen omdat de schade het rechtstreekse gevolg was van het bewezenverklaarde feit van opzetheling.
De verdachte stelde in cassatie dat er geen sprake was van rechtstreekse schade omdat de gedraging die de schade veroorzaakte (de botsing) niet in de tenlastelegging was omschreven. De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht had geoordeeld dat de schade direct verband hield met de opzetheling, mede omdat de verdachte zich bewust was van het feit dat hij in een gestolen auto reed en de schade ontstond tijdens het trachten te ontkomen aan de politie.
De Hoge Raad verwees naar eerdere jurisprudentie waarin vergelijkbare situaties werden beoordeeld en bevestigde dat de vordering van de benadeelde partij terecht was toegewezen. Het cassatiemiddel werd verworpen en het arrest van het hof bleef in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de toewijzing van de schadevergoeding aan de benadeelde partij wegens rechtstreekse schade door opzetheling.