ECLI:NL:HR:2004:AO3291
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- J.L.M. Urlings
- W.A.M. van Schendel
- Rechtspraak.nl
Toewijzing schadevergoeding benadeelde partij bij opzetheling gestolen auto
De verdachte werd veroordeeld voor opzetheling van een gestolen Mitsubishi Lancer. Op 24 oktober 2000 reed hij in deze auto, die hij van een kennis had geleend, terwijl hij wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof. Tijdens een politieachtervolging botste de surveillanceauto tegen de Mitsubishi, waarna de verdachte vluchtte en werd aangehouden.
De benadeelde partij, eigenaar van de gestolen auto, vorderde vergoeding van de materiële schade door de botsing en de wegsleepkosten. Het hof kende deze schadevergoeding van €2.223,52 toe, omdat het de gedragingen van de verdachte tijdens de aanhouding in nauw verband achtte met de bewezenverklaarde opzetheling, waardoor sprake was van rechtstreekse schade ex artikel 51a en 361 lid 2 onder b Sv.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van de verdachte en bevestigde dat het hof geen onjuiste rechtsopvatting had en het oordeel niet onbegrijpelijk was. De schade was toegebracht door het strafbare feit en de betalingsverplichting aan de benadeelde partij was terecht opgelegd. Het beroep werd verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van de verdachte en de toekenning van €2.223,52 schadevergoeding aan de benadeelde partij.