ECLI:NL:PHR:2004:AO5665
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Ontstaan en verrekenbaarheid van uitkeringsvordering bij schuldsanering gewezen militair
In deze zaak staat centraal of de vordering van een gewezen militair op USZO uit hoofde van de Uitkeringswet reeds bestond vóór de uitspraak tot toepassing van de schuldsaneringsregeling en of deze vordering voor verrekening met de vordering van USZO vatbaar is. De gewezen militair kreeg per 1 augustus 1996 een maandelijkse uitkering toegekend, die door USZO werd uitbetaald. Na vaststelling van neveninkomsten werd een terugvordering ingesteld, welke door de schuldsaneringsregeling werd geraakt.
De rechtbank had geoordeeld dat de betalingsverplichting van USZO maandelijks ontstaat en dat verrekening ingevolge artikel 307 lid 1 Fw Pro niet mogelijk is. USZO stelde cassatie in tegen dit oordeel. De Hoge Raad analyseerde uitgebreid de aard van de vordering, waarbij onderscheid werd gemaakt tussen bestaande en toekomstige vorderingen, en overwoog dat het recht op uitkering krachtens de wet reeds op het moment van het ontslag is ontstaan, en niet pas maandelijks.
De Hoge Raad bevestigde dat de schuld van USZO jegens de gewezen militair reeds bestond vóór de schuldsaneringsuitspraak en dat de vordering ingevolge artikel 307 lid 1 Fw Pro niet voor verrekening vatbaar is. Daarmee wordt het uitgangspunt van fixatie van rechten en verplichtingen bij schuldsanering gewaarborgd. De zaak werd vernietigd en verwezen voor verdere behandeling.
Uitkomst: De Hoge Raad oordeelt dat de vordering van de gewezen militair op USZO reeds bestond vóór de schuldsaneringsuitspraak en niet voor verrekening vatbaar is.