ECLI:NL:PHR:2004:AO6020
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vordering tot uitbetaling van niet-genoten vakantiedagen tijdens arbeidsongeschiktheid en stuiting van verjaring
Eiser was sinds 1989 in dienst bij Brush HMA B.V. en werd in mei 1996 volledig arbeidsongeschikt. Hij vorderde uitbetaling van nog openstaande vakantiedagen opgebouwd tot de dag van arbeidsongeschiktheid. Brush weigerde dit, stellende dat de vordering was verjaard en dat de brief van de echtgenote van eiser geen stuiting van de verjaring inhield.
De rechtbank en het hof oordeelden dat de brief van 8 december 1997 niet voldeed aan de eisen voor stuiting van verjaring volgens art. 3:317 lid 1 BW Pro, omdat daarin niet ondubbelzinnig het recht op nakoming werd voorbehouden. Het hof vond dat een expliciete reactie van eiser nodig was om de verjaring te stuiten.
De Hoge Raad stelt dat het hof een onjuiste rechtsopvatting heeft gehuldigd door te veronderstellen dat expliciete onmiddellijke nakoming vereist is voor stuiting. De brief van de echtgenote bevatte een voldoende duidelijke waarschuwing dat eiser zijn recht op uitbetaling van vakantiedagen voorbehoudt, zodat de verjaring gestuit kan zijn. Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak verwezen voor verdere behandeling.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak verwezen voor verdere behandeling.