ECLI:NL:HR:2004:AO6020
Hoge Raad
- Cassatie
- P. Neleman
- J.B. Fleers
- D.H. Beukenhorst
- E.J. Numann
- F.B. Bakels
- A. Hammerstein
- Rechtspraak.nl
Vordering op uitbetaling niet-genoten vakantiedagen na arbeidsongeschiktheid en verjaring
De zaak betreft een vordering van eiser tot cassatie tegen Brush HMA B.V. tot betaling van een bedrag wegens opgebouwde maar niet-genoten vakantiedagen, inclusief wettelijke verhoging, rente en kosten. Eiser was sinds 1989 in dienst en sinds 1996 volledig arbeidsongeschikt. De arbeidsovereenkomst werd in 2001 ontbonden zonder vergoeding voor de vakantiedagen opgebouwd tot 1996.
Eiser stelde dat zijn aanspraak op uitbetaling van vakantiedagen niet was verjaard, onder meer omdat een brief van zijn echtgenote in 1997 een ondubbelzinnige mededeling tot stuiting van verjaring vormde. De rechtbank verklaarde eiser niet-ontvankelijk wegens verjaring, en het hof bekrachtigde dit oordeel. Het hof vond de brief niet voldoen aan de eisen van art. 3:317 lid 1 BW Pro.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof een onjuiste rechtsopvatting heeft gehanteerd door de brief niet als stuiting te erkennen. De brief bevatte een expliciet verzoek tot uitbetaling en moest redelijkerwijs als zodanig worden begrepen door Brush. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en verwijst de zaak naar het hof Amsterdam voor verdere behandeling en beslissing.
De Hoge Raad veroordeelt Brush tevens in de kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling wegens onjuiste uitleg van de brief als stuiting van verjaring.