ECLI:NL:PHR:2004:AO6419
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van toegang en doorzoeking bij inbeslagneming hennepplanten in woning
In deze zaak stond centraal of het binnentreden in een woning door opsporingsambtenaren, waarbij een ruit en meerdere deuren werden geforceerd om toegang te verkrijgen tot ruimten met hennepplanten, als een doorzoeking moest worden aangemerkt. De verdediging stelde dat het handelen onrechtmatig was en dat het bewijs daardoor niet gebruikt mocht worden.
De Hoge Raad bevestigde dat artikel 9 van Pro de Opiumwet opsporingsambtenaren de bevoegdheid geeft om zich toegang te verschaffen tot plaatsen waar overtredingen worden gepleegd of vermoed worden. Het forceren van een ruit en deuren viel onder deze toegestane toegang, mits dit redelijkerwijs noodzakelijk was voor het doel van het binnentreden. Het hof had geoordeeld dat er geen sprake was van een doorzoeking, omdat de verbalisanten doelgericht te werk gingen en niet zoekend rondliepen.
De Hoge Raad vond dit oordeel niet onbegrijpelijk en wees erop dat de duur van het verblijf in de woning (vier uur) verklaard kon worden door het aanzienlijke aantal hennepplanten en apparatuur die in beslag werden genomen. Ook werd het proportionaliteitsbeginsel niet geschonden. Het middel van cassatie werd verworpen, waarmee de veroordeling van de verdachte wegens overtreding van de Opiumwet in stand bleef.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat het forceren van een ruit en deuren voor toegang tot een woning geen doorzoeking is en verwerpt het cassatieberoep.