ECLI:NL:PHR:2004:AO6423

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
25 mei 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02028/03
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3b OpiumwetArt. 10, tweede lid, OpiumwetArt. 14 EVRMArt. 26 IVBPRArt. 81 RO
Verwijzingen
9 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Op internet plaatsen van coffeeshop menu’s en prijzen is openbaarmaking in de zin van de Opiumwet

In deze zaak stond centraal of het op internet publiceren van menu’s en prijzen van softdrugs die in een coffeeshop worden verkocht, kan worden aangemerkt als een openbaarmaking in de zin van artikel 3b van de Opiumwet. De verdachte had op 6 september 2000 in Amsterdam dergelijke informatie op internet geplaatst, wat volgens het hof een openbaarmaking was gericht op bevordering van de verkoop van softdrugs.

De verdediging voerde in cassatie aan dat internet geen geschikt medium is voor openbaarmaking zoals bedoeld in de wet, omdat het alleen toegankelijk is voor gebruikers die gericht zoeken en over apparatuur beschikken. Tevens werd aangevoerd dat de vervolging in strijd zou zijn met het EVRM en het IVBPR vanwege het proefproceskarakter en schending van het vertrouwensbeginsel.

De Hoge Raad verwierp deze klachten. Het hof had op overtuigende wijze gemotiveerd dat internet een voor een groot publiek toegankelijk medium is en dat het plaatsen van menu’s en prijzen op internet een openbaarmaking vormt. Ook was het vervolgingsbeleid niet in strijd met het vertrouwensbeginsel of het gelijkheidsbeginsel. Het cassatieberoep werd daarom verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; het op internet plaatsen van coffeeshop menu’s en prijzen is een openbaarmaking ex art. 3b Opiumwet.

Conclusie

Griffienr. 02028/03
Mr. Wortel
Zitting:23 maart 2004
Conclusie inzake:
[verzoeker=verdachte]
1. Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam waarbij is vastgesteld dat verzoeker zich heeft schuldig gemaakt aan "opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3b van de Opiumwet gegeven verbod, strafbaar gesteld bij artikel 10, tweede lid, van de Opiumwet", en is beslist dat deswege geen straf of maatregel aan verzoeker wordt opgelegd.
2. Namens verzoeker heeft mr. B.W.M. Zegers, advocaat te Edam-Volendam, een schriftuur houdende cassatieklachten ingediend.
3. Ten laste van verzoeker is bewezen verklaard dat
"hij op 6 september 2000 te Amsterdam, opzettelijk een openbaarmaking heeft gedaan, die er kennelijk op was gericht de verkoop van een middel als bedoeld in artikel 3 van Pro de Opiumwet te bevorderen, bestaande die openbaarmaking uit het op internet plaatsen van menu's, waarop de soorten hashish en marihuana die in zijn, verdachtes coffeeshop [A] verkrijgbaar zijn en de prijs van deze soorten per gram staan vermeld."
4. De schriftuur zal aldus moeten worden verstaan dat zij twee klachten bevat.
5. De eerste klacht (in de schriftuur opgenomen onder 2 en 3) luidt dat de bewezenverklaring niet naar behoren met redenen is omkleed. Betoogd wordt dat art. 3b, eerste lid, Opiumwet geen betrekking heeft op publicaties op internet. Het Hof zou hebben miskend dat het begrip openbaarmaking duidt op een vorm van verspreiding, terwijl internet niet kan worden gezien als een medium om iets openbaar te maken. Op internet, zo wordt gesteld, kan alleen gericht worden gezocht op een bepaald onderwerp door degene die de benodigde apparatuur en een aansluiting heeft. Een internetsite zou niet voldoen aan hetgeen de wetgever destijds voor ogen heeft gehad ten aanzien van 'openbaarmaking'.
6. De tweede klacht (in de schriftuur opgenomen onder 4 en 5) luidt dat de vervolging van verzoeker strijdig is met art. 14 EVRM Pro en art. 26 IVBPR Pro omdat het een proefproces betreft, hetgeen impliceert dat soortgelijke gevallen niet eerder zijn vervolgd, terwijl ook het vertrouwensbeginsel is geschonden omdat verzoeker is vervolgd zonder dat het Openbaar Ministerie kenbaar had gemaakt dat het een ander vervolgingsbeleid zou gaan voeren.
7. Deze klachten beslaan één bladzijde op A-4 formaat. Bondigheid is zeer te prijzen, maar in het licht van de uitgebreide overwegingen die het Hof ter verwerping van deze, reeds in feitelijke aanleg betrokken, standpunten heeft gegeven, had de steller van het middel nader moeten aanduiden waarom die standpunten ten onrechte zijn verworpen.
8. Nu in de schriftuur niet te vinden is waarom de door het Hof genomen beslissingen van een onjuiste rechtsopvatting getuigen of onbegrijpelijk zijn, betracht ik ook mijnerzijds bondigheid.
9. Onder "Bespreking van een bewijsverweer" heeft het Hof op toereikende wijze uiteengezet waarom het op internet plaatsen van de in de bewezenverklaring bedoelde menulijsten is aan te merken als een openbaarmaking in de zin van art. 3b Opiumwet. Naar mijn inzicht is "op toereikende wijze" in dit geval overigens een eufemisme. De overwegingen van het Hof treffen mij als fraai geformuleerd, en dwingend in hun uitkomst.
10. Onder "Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn vervolging" is in de bestreden uitspraak op toereikende wijze (wederom: mijns inziens in welgekozen en overtuigende bewoordingen) vastgesteld dat de vervolging van verzoeker past binnen het door het Openbaar Ministerie bekend gemaakte vervolgingsbeleid, zodat van schending van gerechtvaardigd vertrouwen geen sprake kan zijn, terwijl niet aannemelijk is geworden dat de vervolgingsbeslissing strijdig is met het gelijkheidsbeginsel.
11. Het middel faalt. Het leent zich voor afdoening met de in art. 81 RO Pro bedoelde korte motivering.
12. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,