ECLI:NL:PHR:2004:AO7002
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt peildatum verdeling woning bij echtscheiding op datum van verdeling
Partijen, voormalige echtgenoten, zijn gehuwd onder huwelijkse voorwaarden en zijn in 1998 feitelijk uit elkaar gegaan. De rechtbank heeft de echtscheiding uitgesproken en partijen veroordeeld tot verdeling van de beperkte gemeenschap van goederen, waaronder de woning die zij gezamenlijk bezitten.
De man exploiteert een architectenbureau en verhuurt een deel van de woning aan zijn BV. Er ontstond onenigheid over de peildatum voor de waardebepaling van de woning en de omvang van de overwaarde die tussen partijen verdeeld moet worden. De vrouw vorderde onder meer verkoop van de woning en verdeling van de opbrengst, terwijl de man de woning aan zich wilde toewijzen met betaling van overwaarde.
De rechtbank stelde de peildatum vast op 22 december 1999, de datum van het taxatierapport, en bepaalde de waarde van de woning vrij van verhuur. Het hof stelde echter dat de peildatum de datum van verdeling moest zijn en verwierp de stelling dat verhuur aan de BV de waarde zou beïnvloeden. Ook oordeelde het hof dat de hypotheekrente en woonlasten tot het uiteengaan van partijen kosten van de huishouding zijn en niet voor verrekening in aanmerking komen.
De man kwam in cassatie tegen het arrest van het hof. De Hoge Raad verwierp de middelen en bevestigde dat de peildatum de datum van verdeling is, dat verhuur aan de BV geen invloed heeft op de waardebepaling, en dat hypotheekrente tot het uiteengaan kosten van de huishouding zijn. Ook wees de Hoge Raad het beroep op ongerechtvaardigde verrijking af. Het arrest bevestigt de redelijkheid en billijkheid bij de verdeling van de woning en sluit aan bij eerdere jurisprudentie.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de peildatum voor de waardebepaling van de woning de datum van verdeling is en wijst het cassatieberoep van de man af.