ECLI:NL:PHR:2004:AO8555
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt rechtmatigheid ontslag wegens bedrijfseconomische omstandigheden ondanks loonsverlaging
Eiser was sinds 1980 beveiligingsbeambte bij Stichting HBD, die door hogere loonkosten en afnemende opdrachten in financiële problemen kwam. Om het bedrijf te redden, werd in overleg met de ondernemingsraad en vakorganisaties besloten werknemers nieuwe arbeidsovereenkomsten aan te bieden bij HBD BV met lagere lonen en aanvullende CAO-voorwaarden. Eiser weigerde dit aanbod en werd op zijn verzoek ontslagen met toestemming van de Regionaal Directeur Arbeidsvoorziening.
Eiser vorderde bij de kantonrechter en rechtbank een verklaring voor recht dat het ontslag kennelijk onredelijk was en een schadevergoeding. Beide rechters wezen de vorderingen af, stellende dat het ontslag gerechtvaardigd was door het zwaarwegende belang van HBD en de noodzaak om faillissement te voorkomen. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp cassatiemiddelen die onder meer stelden dat de overgang naar HBD BV nadelig was of dat analoge toepassing van ontbindingsvergoedingen op zijn plaats was.
De Hoge Raad benadrukte dat de loonsverlaging niet het gevolg was van de overgang, maar van de zorgwekkende financiële situatie. Ook oordeelde de Hoge Raad dat de verschillende wettelijke procedures (ontbinding versus opzegging) een verschillende benadering kennen, waardoor het gelijkheidsbeginsel niet werd geschonden. De conclusie was dat het ontslag niet kennelijk onredelijk was en dat de rechtbank terecht geen vergoeding toekende.
Uitkomst: Het ontslag van eiser door HBD was niet kennelijk onredelijk en er is geen recht op schadevergoeding.