ECLI:NL:PHR:2004:AO9494
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Ontbinding en ingebrekestelling bij wanprestatie in huurovereenkomst steigers
In deze zaak staat centraal of eiseres Bouwmachines terecht heeft ontbonden voor fase III van een huurovereenkomst voor stalen gevelsteigers, nadat zij voor die fase een steiger van een derde gebruikte en de laatste huurtermijn niet betaalde.
De Hoge Raad bespreekt uitgebreid het leerstuk van verzuim en ingebrekestelling bij wanprestatie. Het hof had geoordeeld dat Bouwmachines niet in verzuim was omdat eiseres haar niet schriftelijk in gebreke had gesteld, en dat daardoor ontbinding niet gerechtvaardigd was. Eiseres stelde dat in haar situatie, met spoedeisende gebreken en laks reageren van Bouwmachines, een ingebrekestelling niet nodig was.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof onvoldoende gemotiveerd heeft waarom in spoedeisende gevallen geen direct verzuim zonder ingebrekestelling kan intreden. Ook heeft het hof niet duidelijk gemaakt dat de klachten van eiseres onvoldoende bewijsbaar waren. Daarnaast is de vraag of Bouwmachines een blijvende verplichting had om een deugdelijke steiger te leveren en te onderhouden niet door het hof beoordeeld, waardoor de zaak voor een deel op hypothetische feiten moet worden bekeken.
Verder wijst de Hoge Raad erop dat eiseres haar schadevergoedingseisen onvoldoende heeft onderbouwd en dat wanprestatie niet als onvoorziene omstandigheid in de zin van art. 6:258 BW Pro kan gelden. Tot slot benadrukt de Hoge Raad dat bij crediteursverzuim de schuldeiser recht op nakoming behoudt, en dat het hof had moeten onderzoeken of Bouwmachines een voordeel heeft genoten dat in mindering gebracht kan worden op de tegenprestatie.
De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug voor nadere beoordeling, waarbij eiseres in de gelegenheid wordt gesteld haar stellingen te bewijzen.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor nadere beoordeling met gelegenheid voor eiseres om bewijs te leveren.