ECLI:NL:PHR:2004:AP1482
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid klaagschrift teruggave inbeslaggenomen geld wegens overschrijding termijn
In deze zaak diende klager een klaagschrift in tot teruggave van inbeslaggenomen geld, dat was toegewezen aan zijn broer die veroordeeld was. De Rechtbank verklaarde het klaagschrift ongegrond omdat klager niet aannemelijk had gemaakt rechthebbende te zijn van het geld. De Hoge Raad oordeelde dat het klaagschrift niet-ontvankelijk was omdat het pas meer dan drie maanden na het einde van de vervolging werd ingediend, conform art. 552a Sv.
De Advocaat-Generaal besprak ten overvloede het middel dat de Rechtbank ten onrechte geen last tot teruggave aan klager gaf, ondanks dat het OM zich niet verzette tegen teruggave. De Hoge Raad bevestigde dat de rechter gebonden is aan het oordeel van het OM dat het belang van strafvordering zich niet meer tegen teruggave verzet, maar dat dit alleen geldt voor de beslagene en niet zonder meer voor derde-belanghebbenden.
De Rechtbank had geoordeeld dat klager onvoldoende bewijs leverde dat hij rechthebbende was, mede omdat de opgegeven verkoopprijs van de auto niet aannemelijk was. De Hoge Raad verwierp het middel en bevestigde dat de beslissing van de Rechtbank toereikend was gemotiveerd en dat klager niet-ontvankelijk verklaard moest worden.
Uitkomst: Het klaagschrift werd niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de termijn van drie maanden na het einde van de vervolging.