Conclusie
1.Inleiding
2.Het middel
Inhoud van het klaagschrift
In een geval als het onderhavige brengt dit mee dat dient te worden onderzocht of de klager redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt(onderstreping AG TS).”
Parket bij de Hoge Raad
De zaak betreft een beklag tegen de weigering tot teruggave van een geldbedrag van €10.100,- dat in een auto werd aangetroffen en in beslag genomen. De klager stelt eigenaar en rechthebbende te zijn van het geld, dat hij had verstopt in het plafond van een auto die bij zijn vader in gebruik was. De rechtbank Amsterdam verklaarde het klaagschrift ongegrond omdat niet buiten redelijke twijfel vaststond dat klager de rechthebbende was.
De officier van justitie had zich in de raadkamer uitgesproken voor teruggave van het geld aan klager, omdat het strafvorderlijk belang zich niet langer verzette tegen teruggave en klager redelijkerwijs als rechthebbende kon worden aangemerkt. De rechtbank oordeelde desalniettemin anders en paste een te strenge maatstaf toe.
De advocaat-generaal betoogde dat de rechtbank zich niet van een eigen oordeel had mogen voorzien, maar dat de Hoge Raad oordeelde dat de rechter wel een eigen beoordeling moet maken of de derde redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt. De Hoge Raad vernietigde de beschikking en verwees de zaak terug naar de rechtbank Amsterdam voor een nieuwe beoordeling met de juiste maatstaf.
De uitspraak verduidelijkt de toepassing van artikel 94 Sv Pro en de toets die de rechter moet hanteren bij teruggave van beslag aan derden die zich als rechthebbende presenteren, waarbij het belang van strafvordering is komen te vervallen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en wijst de zaak terug naar de rechtbank Amsterdam voor hernieuwde beoordeling.