ECLI:NL:PHR:2004:AP8074
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel door directeur enig aandeelhouder na illegale milieuhandeling
De zaak betreft een directeur en enig aandeelhouder van een besloten vennootschap (BV) die tevens beherend vennoot was van een commanditaire vennootschap (CV). De CV exploiteerde een terrein aan een grindgat in het stroomgebied van de Maas. Na een hoge waterstand in 1995 bleef vervuild Maas-slib achter op het terrein. De directeur gaf opdracht om het slib deels te verzamelen en te gebruiken voor bestratingswerkzaamheden en deels terug te duwen in het water, zonder vergunning en in strijd met milieuregels.
Het Hof stelde vast dat door deze illegale handelingen kosten voor legale verwijdering van het slib werden bespaard. Dit voordeel werd toegerekend aan de BV en vervolgens voor een deel aan de directeur, omdat hij leningen ontving van de BV zonder gebruikelijke zekerheden, wat neerkwam op een uitdeling. De directeur werd veroordeeld tot ontneming van dit wederrechtelijk verkregen voordeel.
In cassatie werd onder meer betoogd dat het Hof de directeur onterecht met de BV had vereenzelvigd en dat de berekening van het voordeel onjuist was. De Hoge Raad oordeelde dat het Hof terecht had vastgesteld dat de vermogensvermeerdering van de BV indirect ten voordele van de directeur strekte, en dat de leningen als uitdeling konden worden aangemerkt. Ook de berekening van het voordeel en de toepassing van milieuwetgeving werden door de Hoge Raad niet onbegrijpelijk bevonden.
Wel werd de ontnemingsuitspraak vernietigd voor zover vervangende hechtenis was opgelegd, omdat op dat moment de nieuwe wettelijke regeling van toepassing was. De overige klachten werden verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de oplegging van vervangende hechtenis maar bevestigt de ontnemingsmaatregel tegen de directeur wegens wederrechtelijk verkregen voordeel.