ECLI:NL:PHR:2004:AR2383
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Verdeling huwelijksgoederengemeenschap en aansprakelijkheid voor waardevermindering en dwangsommen na echtscheiding
Partijen waren gehuwd in algehele gemeenschap van goederen en zijn in 1997 gescheiden. De echtelijke woning werd vóór de echtscheiding verkocht, waarbij een saldo van ƒ79.522,89 naar de man werd overgemaakt. De vrouw had een schuld van ƒ23.018,66 aan de SRK wegens verbeurde dwangsommen door haar telefoonterreur. Daarnaast vorderde de man vergoeding voor waardevermindering van de woning door vernielingen die hij aan de vrouw toeschreef.
De rechtbank oordeelde dat de schuld aan de dwangsommen een gemeenschapsschuld was en dat de man onvoldoende bewijs had geleverd voor de waardevermindering. Het hof stelde echter vast dat de vrouw aansprakelijk was voor een waardevermindering van ƒ20.000,- en de dwangsommen, en bracht deze bedragen in mindering op wat de man aan de vrouw moest betalen.
De vrouw stelde cassatie in tegen het oordeel van het hof. De Hoge Raad overwoog dat het hof onjuist had geoordeeld dat de waardevermindering geheel voor rekening van de vrouw moest blijven, omdat de woning tot de gemeenschap behoorde en de verkoopopbrengst al bij helfte was verdeeld. Ook was de schuld aan de dwangsommen reeds voor de helft ten laste van de vrouw gebracht. De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof voor zover het de man tot betaling van ƒ969,48 aan de vrouw veroordeelde en bepaalde dat de man aan de vrouw ƒ22.478,81 (ongeveer €10.200,44) plus wettelijke rente moet voldoen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en bepaalt dat de man aan de vrouw een bedrag van €10.200,44 plus wettelijke rente moet betalen.