ECLI:NL:PHR:2004:AR3137
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beperkingen van verrekeningsrecht van bank bij faillissement na vrijwillige verkoop vastgoed
In deze zaak staat centraal of ING Bank zich jegens de curator in het faillissement van Elma Vastgoed Ede B.V. en Elma Vastgoed Veenendaal B.V. op verrekening kan beroepen van bedragen die door de notaris namens de koper op de bankrekening van Ede bij ING Bank zijn gestort.
De vastgoedportefeuille van Ede en Veenendaal werd verkocht, waarna de koopsommen op de rekening van Ede bij ING Bank werden bijgeschreven. ING Bank had afstand gedaan van haar hypotheekrechten en koos ervoor geen gebruik te maken van haar recht tot parate executie. De curator stelde dat de bank zich niet op verrekening mocht beroepen op grond van artikel 54 Faillissementswet Pro, omdat de bank niet te goeder trouw handelde toen zij zich door creditering van de rekening tot debiteur van Ede maakte terwijl het faillissement te verwachten was.
De rechtbank en het hof oordeelden dat de betalingen geen rechtstreekse betalingen aan de bank waren, maar aan Ede, en dat de bank zich niet op verrekening mocht beroepen omdat zij niet te goeder trouw was. De Hoge Raad bevestigt deze lijn en benadrukt dat het stelsel van de Faillissementswet zich verzet tegen een uitzonderingspositie voor banken bij girale betalingen in het zicht van faillissement. De bank had haar hypotheekrecht prijsgegeven en geen pandrecht op de vordering op de koper gevestigd, waardoor zij geen voorrang kon doen gelden op de opbrengst. De bank had zich dus niet op verrekening mogen beroepen als zij wist dat het faillissement te verwachten was.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de bank zich niet op verrekening mocht beroepen wegens gebrek aan goede trouw.