Uitspraak
27 januari 1989.
Hoge Raad
In deze zaak stond centraal of Otex Olietransport B.V. haar vordering op drie failliete vennootschappen mocht compenseren met bedragen die zij na het faillissement had ontvangen. Otex had met de vennootschappen een rekening-courantverhouding en een volmacht om bepaalde betalingen te innen. Na faillissement van de vennootschappen ontving Otex betalingen van het Duitse Finanzamt en een bedrijfsvereniging.
Otex wilde deze ontvangen bedragen verrekenen met haar vordering op de vennootschappen. De rechtbank en het hof wezen de vordering van de curator tot betaling toe en verwierpen het compensatieberoep van Otex. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en oordeelde dat de betalingen na faillissement niet voortvloeiden uit de vooraf bestaande overeenkomsten, maar uit rechtshandelingen van derden na faillissement.
Daarmee was geen grond voor compensatie op basis van art. 53 Faillissementswet Pro. Het beroep van Otex werd verworpen en zij werd veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: Het beroep van Otex op compensatie werd verworpen en de vordering van de curator toegewezen.