ECLI:NL:PHR:2005:AO7684
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling vrijstelling en aftrek voorbelasting bij levering tandprothesen door tandtechnische onderneming
De zaak betreft een belastinggeschil over de toepassing van de vrijstelling van omzetbelasting voor leveringen van tandprothesen door een tandtechnische onderneming (belanghebbende). De Inspecteur legde naheffingsaanslagen op wegens niet voldoen aan voorwaarden voor toepassing van het nultarief en het recht op aftrek van voorbelasting.
Het Hof stelde vast dat de vrijstelling van artikel 11, lid 1, onderdeel g, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB) sinds 1 december 1997 ruimer is dan de Zesde BTW-Richtlijn toestaat. De Richtlijn vereist dat de leverancier de hoedanigheid van tandarts of gediplomeerd tandtechnicus bezit, terwijl de belanghebbende geen vakdiploma heeft en de feitelijke vervaardiging uitbesteedt.
De belanghebbende voerde aan dat zij zich op de nationale vrijstelling kan beroepen en tegelijkertijd recht heeft op aftrek van voorbelasting op grond van de Zesde Richtlijn. De Hoge Raad bevestigt dat dit asymmetrisch beroep niet mogelijk is: vrijstelling van omzetbelasting is onlosmakelijk verbonden met uitsluiting van aftrek van voorbelasting. De nationale regeling moet conform de Richtlijn worden uitgelegd, waarbij de vrijstelling niet leidt tot recht op aftrek.
De uitspraak benadrukt dat de vrijstellingen in de Zesde Richtlijn strikt worden uitgelegd en dat het begrip 'tandtechnicus' een autonome communautaire betekenis heeft, die niet wordt overschreden door een onderneming zonder vakdiploma die alleen opdrachten aan derden verstrekt. De belanghebbende kan voor de periode tot 1 december 1997 geen beroep doen op de vrijstelling, en voor de periode daarna geldt dat zij wel vrijgesteld kan zijn, maar zonder recht op aftrek van voorbelasting.
De Hoge Raad concludeert dat de nationale wetgeving sinds 1 december 1997 niet correct is geïmplementeerd en dat de belanghebbende geen recht heeft op een combinatie van vrijstelling en aftrek. De zaak bevat tevens een uitgebreide analyse van relevante jurisprudentie van het HvJ EG over de directe werking van richtlijnen en de verhouding tussen nationale wetgeving en Europese BTW-regels.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de belanghebbende geen recht heeft op combinatie van vrijstelling en aftrek van voorbelasting en handhaaft de naheffingsaanslag.