ECLI:NL:PHR:2005:AP5952
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Uitleg en toepassing van verlengde navorderingstermijn bij douanerechten in geval van strafrechtelijk vervolgbare handelingen
Belanghebbende, handelend onder de naam A, werd geconfronteerd met een navordering van douanerechten over de jaren 1995 tot 1997 vanwege onjuiste aangiften van douanewaarde. Na een controle door de douane en FIOD werden correcties vastgesteld en een uitnodiging tot betaling verzonden. Belanghebbende stelde bezwaar in tegen de navordering, met name over de vraag of de verlengde navorderingstermijn van vijf jaar toegepast mocht worden als de douane binnen de reguliere termijn van drie jaar al in staat was de douaneschuld vast te stellen.
De Douanekamer oordeelde dat de verlengde termijn van toepassing was omdat sprake was van strafrechtelijk vervolgbare handelingen die het vaststellen van de douaneschuld op het moment van ontstaan belemmerden. Belanghebbende stelde cassatie in tegen dit oordeel, stellende dat de verlenging niet gerechtvaardigd was als de douane binnen drie jaar de schuld had kunnen vaststellen.
De Hoge Raad analyseerde de communautaire en nationale regelgeving, waaronder Verordening 1697/79, het CDW en de AWR, en concludeerde dat de verlengde navorderingstermijn niet afhankelijk is van het tijdstip waarop de douane de schuld kon vaststellen, maar van het tijdstip van het ontstaan van de douaneschuld. Indien op dat moment de schuld niet kon worden vastgesteld door strafrechtelijke feiten, is verlenging toegestaan. De nationale bepalingen sluiten hierop aan en voorzien in een verlengde termijn. Het middel van belanghebbende faalt, en het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de verlengde navorderingstermijn blijft van toepassing.