ECLI:NL:PHR:2005:AR1738
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad oordeelt over fiscale heffing bij zetelverplaatsing pensioen-BV naar België en EG-rechtelijke toetsing
De zaak betreft de fiscale behandeling van de verplaatsing van de feitelijke leiding van een pensioen-BV van Nederland naar België, waarbij de aandeelhouder en directeur-grootaandeelhouder (dga) reeds in België woonde. De inspecteur legde een strafheffing op op grond van artikel 23a van de Wet op de vennootschapsbelasting (Wet Vpb), omdat de pensioen-BV niet langer voldeed aan de voorwaarden van artikel 11b Wet op de loonbelasting (Wet LB) en de dga niet binnenlands belastingplichtig was. De belanghebbende stelde dat deze heffing in strijd was met het belastingverdrag Nederland-België en het EG-recht.
Het Hof Den Haag oordeelde dat de strafheffing belemmerend werkt voor de vestiging in een andere lidstaat en dat deze belemmering niet gerechtvaardigd is vanwege het belastingverdrag en het EG-recht. De Hoge Raad overweegt dat het belastingverdrag het heffingsrecht over pensioenuitkeringen exclusief aan België toewijst, waardoor de heffing op grond van artikel 23a Wet Vpb in dit geval niet kan worden toegepast. Tevens wordt de fiscale coherentie tussen pensioenopbouw en heffing over latere uitkeringen besproken, waarbij de Hoge Raad erkent dat de heffing bij de vennootschap een vorm van fiscale doorwerking is, maar dat dit niet in strijd mag zijn met het belastingverdrag.
Daarnaast behandelt de Hoge Raad de vraag of de strafheffing een belemmering vormt van de EG-vestigingsvrijheid en of deze belemmering gerechtvaardigd kan worden. De Hoge Raad concludeert dat de strafheffing inderdaad een belemmering is, maar dat deze gerechtvaardigd kan zijn wegens fiscale coherentie en misbruikbestrijding, mits proportioneel toegepast. Tot slot wordt het verzoek van de belanghebbende tot volledige proceskostenvergoeding afgewezen, mede vanwege de toepasselijkheid van de forfaitaire regeling en de beperkte toepasselijkheid van artikel 8:73 Awb Pro in cassatie.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat artikel 23a Wet Vpb niet toegepast kan worden vanwege het belastingverdrag en wijst het verzoek tot volledige proceskostenvergoeding af.