ECLI:NL:PHR:2005:AR2238
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toepassing van artikel 23a Wet vennootschapsbelasting en belastingverdrag Nederland-België bij emigratie pensioen-BV
De zaak betreft de vraag of artikel 23a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb. 1969) toegepast kan worden op een pensioen-BV die haar feitelijke leiding verplaatst van Nederland naar Curaçao na emigratie van haar aandeelhouders naar België. De belanghebbende, een pensioen-BV opgericht naar Antilliaans recht, had haar feitelijke leiding tot 16 april 1997 in Nederland en verhuisde deze daarna naar Curaçao. De inspecteur legde een voorlopige aanslag vennootschapsbelasting op grond van artikel 23a Wet Vpb. 1969, maar het hof wees deze toepassing af op basis van het overgangsrecht van artikel 36 Wet Pro op de loonbelasting 1964 (Wet LB 1964).
De staatssecretaris stelde cassatieberoep in tegen het oordeel van het hof dat artikel 23a Wet Vpb. 1969 niet van toepassing zou zijn. De Hoge Raad oordeelt dat het hof artikel 36 Wet Pro LB 1964 ten onrechte grammaticaal heeft uitgelegd en dat de bedoeling van de wetgever juist was om oneigenlijk gebruik van pensioenlichamen na emigratie te voorkomen. Echter, van ambtswege werd ook het belastingverdrag tussen Nederland en België betrokken. De Hoge Raad stelt dat artikel 18 van Pro het belastingverdrag de heffing door Nederland op de pensioengerechtigde verbiedt, en dat artikel 23a Wet Vpb. 1969, hoewel gericht op de vennootschap, niet kan worden toegepast omdat dit in strijd is met de goede verdragstrouw.
De Hoge Raad concludeert dat Nederland niet eenzijdig de heffingsbevoegdheid kan toewijzen aan zichzelf door middel van nationale wetgeving die de verdragsbepalingen ondermijnt. Wel wordt opgemerkt dat indien sprake zou zijn van verdragsmisbruik, toepassing van artikel 18 achterwege Pro kan blijven, maar dat in deze zaak geen feiten zijn gesteld die dit aantonen. Het cassatieberoep van de staatssecretaris wordt daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de staatssecretaris wordt ongegrond verklaard; toepassing van artikel 23a Wet Vpb. 1969 wordt verhinderd door het overgangsrecht en het belastingverdrag met België.