ECLI:NL:PHR:2005:AR3719
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt arrest hof over opzettelijke onjuiste belastingaangifte en verwijst terug
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het hof Amsterdam waarin verdachte werd veroordeeld voor het doen van opzettelijk onjuiste aangiften inkomstenbelasting over de jaren 1994 tot en met 1998. Het hof had geoordeeld dat verdachte bewust inkomsten uit privégebruik van een dienstauto en uit het ter beschikking stellen van een veldschuur niet had opgegeven, ondanks zijn kennis van fiscale aspecten.
Verdediging voerde aan dat verdachte niet gehouden was tot aangifte van bepaalde voordelen omdat deze reeds via loonbelasting waren afgedekt en dat de tuinwerkzaamheden als vriendendienst moesten worden beschouwd. Het hof verwierp deze verweren en achtte de standpunten niet pleitbaar. De Hoge Raad oordeelde echter dat het hof onvoldoende had gemotiveerd dat verdachte zich bewust was van de aanmerkelijke kans dat de aangifte onjuist was en dat het hof ten onrechte had geoordeeld dat de standpunten niet pleitbaar waren zonder voldoende feitelijke onderbouwing.
De Hoge Raad stelde dat het hof het bewijs van opzet onvoldoende had onderbouwd, met name over de bewustheid van verdachte omtrent het niet vermelden van privégebruik van de dienstauto en de inkomsten uit het ter beschikking stellen van de veldschuur. Ook was het oordeel over het niet-pleitbare karakter van het standpunt omtrent tuinwerkzaamheden onbegrijpelijk. De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest en verwees de zaak terug naar een ander hof voor hernieuwde beoordeling.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling.