ECLI:NL:PHR:2005:AR4481
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over courtage bij voortijdige beëindiging bemiddelingsovereenkomst en toepasselijkheid art. 7:411 BW
In deze zaak stond de vraag centraal of en in hoeverre een makelaar recht heeft op volledige courtage wanneer een koopovereenkomst tot stand komt na beëindiging van de bemiddelingsovereenkomst. De makelaar had een opdracht tot bemiddeling gesloten met opdrachtgevers, waarbij 2% courtage was afgesproken. Na intrekking van de opdracht sloten de opdrachtgevers buiten medeweten van de makelaar een koopovereenkomst.
De makelaar vorderde betaling van volledige courtage, terwijl de opdrachtgevers dit betwistten en stelden dat de contractuele bepalingen onredelijk bezwarend zijn en in strijd met dwingendrechtelijke bepalingen van het BW, met name art. 7:411 BW Pro. De rechtbank kende een gedeeltelijke vergoeding toe, het hof stelde vast dat de makelaar slechts recht had op een naar redelijkheid vast te stellen deel van de courtage.
De Hoge Raad oordeelde dat art. 7:411 BW Pro van toepassing is op de situatie waarin de bemiddelingsovereenkomst eindigt voordat de opdracht is volbracht en dat de makelaar in dat geval recht heeft op een naar redelijkheid vast te stellen deel van het loon, soms zelfs het volle loon indien het einde aan de opdrachtgever is toe te rekenen en dit redelijk is. De Hoge Raad verduidelijkte dat contractuele bepalingen die volledige courtage toekennen na beëindiging van de opdracht binnen de grenzen van art. 7:411 BW Pro moeten worden beoordeeld. De zaak werd vernietigd en verwezen voor nadere beoordeling van de feiten en toepassing van art. 7:411 BW Pro.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen voor nadere beoordeling van de toepassing van art. 7:411 BW.