ECLI:NL:PHR:2005:AR6024
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over waardebepaling en bijzondere geschiktheid bij onteigening voor dijkversterking
De zaak betreft een onteigening van delen van percelen van eiser ten behoeve van dijkversterking door het Hoogheemraadschap van de Krimpenerwaard. De Rechtbank had de schadeloosstelling vastgesteld, waarbij onder meer werd geoordeeld dat het onteigende afzonderlijk verkoopbaar is en dat er sprake is van bijzondere geschiktheid van het onteigende voor het doel van de onteigening. Tevens werd geoordeeld dat het overblijvende geen waardevermindering ondergaat.
Eiser stelde in cassatie diverse middelen aan, waaronder dat het onteigende niet afzonderlijk verkoopbaar zou zijn, dat de bijzondere geschiktheid niet correct was berekend, dat onvoldoende was ingegaan op bodemverontreiniging en risico van kwel, en dat de waardevermindering van het overblijvende onvoldoende was onderzocht.
De Hoge Raad oordeelt dat de Rechtbank terecht aannam dat het onteigende afzonderlijk verkoopbaar is, maar dat het oordeel over de bijzondere geschiktheid onvolledig is omdat alleen dijkvak D werd betrokken en niet de andere dijkvakken. Ook is het oordeel over waardevermindering van het overblijvende onvoldoende gemotiveerd, met name over de gevolgen van het bebouwingspercentage. De Hoge Raad vernietigt het vonnis en verwijst de zaak voor nader feitelijk onderzoek naar het gerechtshof.
De conclusie van de Procureur-Generaal benadrukt dat bij onteigening rekening moet worden gehouden met bijzondere geschiktheid van het onteigende en dat waardevermindering van het overblijvende een rechtstreeks en noodzakelijk gevolg moet zijn van de onteigening. De zaak betreft complexe waarderingsvraagstukken bij onteigening in het kader van dijkversterking.
Uitkomst: Het vonnis van de Rechtbank wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar het gerechtshof voor nader onderzoek naar bijzondere geschiktheid en waardevermindering.