ECLI:NL:PHR:2005:AS3767
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vermogensontneming wegens medeplegen uitvoer cocaïne in periode 1998-1999
In deze zaak staat de ontnemingsmaatregel centraal die is opgelegd aan verzoeker wegens medeplegen van uitvoer van cocaïne in de periode van 1 juli 1998 tot en met 31 juli 1999. Het Hof heeft op basis van bewijsmiddelen vastgesteld dat verzoeker samen met een mededader minstens 36 kilo cocaïne heeft verkocht, waarbij het wederrechtelijk verkregen voordeel werd geschat op een bedrag van ongeveer ƒ 387.000,=, waarvan na aftrek van kosten het aan verzoeker toe te rekenen deel is vastgesteld.
Verzoeker voerde meerdere cassatiemiddelen aan, waaronder dat het verband tussen het berekende voordeel en de afzonderlijke feiten onvoldoende was gemotiveerd en dat niet bewezen kon worden dat verzoeker gedurende de gehele periode betrokken was bij de drugshandel. De Hoge Raad oordeelt dat het bewijsrechtelijk toelaatbaar is om het voordeel schattenderwijs vast te stellen op basis van één wettig bewijsmiddel, mits dit bewijsmiddel voldoende duidelijkheid verschaft over de feiten en omstandigheden waarop de schatting is gebaseerd.
De Hoge Raad erkent dat het gebruikte financieel rapport niet alle details bevat over de duur en omvang van de samenwerking tussen verzoeker en mededader, maar acht het bewijsmiddel in samenhang met de bewezenverklaring toereikend om de schatting van het voordeel te ondersteunen. Daarnaast wordt geoordeeld dat kosten voor inbeslaggenomen drugs niet in mindering kunnen worden gebracht op het te ontnemen voordeel.
Ten slotte wordt vastgesteld dat de redelijke termijn voor de behandeling van het cassatieberoep is overschreden, waardoor de betalingsverplichting aan de Staat wordt gematigd. Het beroep wordt verder verworpen en de bestreden uitspraak wordt vernietigd voor zover het de betalingsverplichting betreft.
Uitkomst: De betalingsverplichting tot ontneming wordt gematigd wegens overschrijding redelijke termijn, overige klachten worden verworpen.