ECLI:NL:PHR:2005:AS5040
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Onterecht in rekening gebrachte vervolgingskosten wegens ontbreken van invorderingsrentebeschikking
Belanghebbende betaalde de hoofdsom van een voorlopige aanslag inkomstenbelasting 1995 niet tijdig en betaalde later alleen de hoofdsom zonder invorderingsrente. De Belastingdienst bracht daarop vervolgingskosten in rekening wegens het uitvaardigen van een dwangbevel. Het Gerechtshof Amsterdam oordeelde dat belanghebbende niet in gebreke was gesteld voor de invorderingsrente, omdat hem geen beschikking was toegezonden waarin het bedrag van de invorderingsrente was vastgesteld.
De Staatssecretaris van Financiën stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraak. De kern van het geschil betrof de vraag of belanghebbende terecht vervolgingskosten moest betalen, terwijl hij niet op de hoogte was gesteld van het exacte bedrag van de invorderingsrente. De Hoge Raad bevestigde dat een beschikking vereist is waarin het bedrag van de invorderingsrente concreet wordt vastgesteld en schriftelijk kenbaar wordt gemaakt.
De ontvangen documenten, waaronder de voorlopige aanslag, het uitstel van betaling, de aanmaning en de acceptgiro, voldeden niet aan de eisen van een invorderingsrentebeschikking. Hierdoor kon belanghebbende niet worden beschouwd als iemand die verwijtbaar nalatig was in de betaling van de invorderingsrente. De vervolgingskosten waren daarom onterecht opgelegd. Het beroep van de Staatssecretaris werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: De vervolgingskosten zijn onterecht aan belanghebbende opgelegd omdat hij niet in gebreke was gesteld voor de invorderingsrente.