ECLI:NL:PHR:2005:AS5961
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van samenleven als waren zij gehuwd in alimentatiezaak na vervallen samenwoningsverplichting
De zaak betreft een alimentatiegeschil tussen een man en zijn ex-echtgenote, waarbij de man verzocht heeft de alimentatieplicht te beëindigen omdat de vrouw samenleeft met een ander als waren zij gehuwd, zoals bedoeld in art. 1:160 BW Pro. De rechtbank en het hof stelden vast dat hoewel er sprake is van een affectieve relatie tussen de vrouw en haar nieuwe partner, niet is voldaan aan de vereisten van samenwoning, wederzijdse verzorging en een gemeenschappelijke huishouding.
De Hoge Raad bevestigt dat art. 1:160 BW Pro restrictief moet worden uitgelegd en dat het vervallen van de wettelijke samenwoningsverplichting tussen echtgenoten niet betekent dat samenwoning geen belangrijk criterium meer is. De Hoge Raad benadrukt dat de wettelijke bepaling een definitieve beëindiging van de alimentatieplicht tot gevolg heeft, wat een strikte uitleg rechtvaardigt.
Verder oordeelt de Hoge Raad dat het hof terecht heeft geoordeeld dat de man onvoldoende bewijs heeft geleverd dat de vrouw en haar nieuwe partner een levensgemeenschap voeren die gelijkstaat aan een huwelijk. Ook de subsidiaire vordering tot vermindering van alimentatie wordt afgewezen vanwege gebrek aan inzicht in de financiële situatie van de vrouw. Het cassatieberoep wordt verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de alimentatieplicht blijft bestaan.