Conclusie
1.Feiten en procesverloop
’s-Hertogenbosch met het verzoek om de beschikking van 13 juli 2017 te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de man alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek, althans het verzoek van de man af te wijzen als onbewezen dan wel ongegrond. Tevens heeft de vrouw het hof verzocht de man te veroordelen tot terugbetaling aan de vrouw van al hetgeen de vrouw aan de man – onverschuldigd – heeft betaald ter voldoening aan het bepaalde in de beschikking van 13 juli 2017, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot de dag van algehele terugbetaling.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Samenwonen
onder 3.9-3.13) komt er (kort gezegd) op neer dat het hof een te strenge maatstaf zou hebben gehanteerd bij de beoordeling van de vraag of aan het samenwoningsvereiste van art. 1:160 BW Pro is voldaan.
eerste klachtbesloten dat rechtens onjuist dan wel onvoldoende begrijpelijk is dat het hof zijn oordeel in rov. 5.5 van de bestreden beschikking dat niet is voldaan aan het samenwoningsvereiste ex art. 1:160 BW Pro (per saldo) daarop heeft gegrond dat, kort samengevat, de door de rechtbank omschreven “
gezamenlijk doorgebrachte tijd in de woning” niet doorslaggevend kan zijn omdat – kort gezegd – [betrokkene 1] nimmer in de woning van de vrouw (hierna: de woning) heeft verbleven wanneer de vrouw er niet was, zijn spullen niet permanent in de woning aanwezig waren en [betrokkene 1] individueel zijn tijd (derhalve) niet in de woning doorbracht, waarna het hof concludeert dat [betrokkene 1] de woning nooit als zijn woning is gaan beschouwen (hetgeen het hof gelet op het door hem omschreven gevoel begrijpelijk acht) en zich nimmer volledig in samenwoning met de vrouw heeft begeven.
tweede klacht(onder 3.11-3.12) rechtens onjuist dan wel zonder nadere motivering onvoldoende begrijpelijk zijn dat “
de gezamenlijk doorgebrachte tijd in de woning” niet, althans niet (voldoende) doorslaggevend kan zijn om te komen tot de conclusie dat er wel sprake was van samenwonen in de zin van art. 1:160 BW Pro. De klacht voert hiertoe aan dat “
de gezamenlijk doorgebrachte tijd in de woning” volgens de in cassatie vaststaande feiten en/of de in deze relevante stellingen van de man [21] , zodanig van inhoud en intensief was dat er werd samengewoond zoals in art. 1:160 BW Pro bedoeld, waaraan niet af zou kunnen doen dat – althans formeel gezien – [betrokkene 1] een eigen woning had. De man wijst in dit verband op uitspraken van Uw Raad uit 2004 [22] en 2016 [23] en benadrukt dat in de zaak die ten grondslag lag aan de beschikking van Uw Raad van 2016 het feit dat de partner een eigen woning aanhield, er niet aan in de weg stond dat werd samengeleefd als waren zij gehuwd zoals bedoeld in art. 1:160 BW Pro.
derde klachtligt besloten in het cassatieverzoekschrift onder 3.13. Rechtens onjuist, althans zonder nadere motivering die ontbreekt onvoldoende begrijpelijk, is volgens de man dat de in cassatie vaststaande feiten en/of de stellingen van de man [24] niet voldoende zijn om te concluderen dat er sprake is geweest van samenwonen in de zin van art. 1:160 BW Pro. De in rov. 5.5 aangehaalde “
gezamenlijk doorgebrachte tijd in de woning” is in de zin van art. 1:160 BW Pro wel degelijk rechtens relevant en voldoende om tot samenwoning ex art. 1:160 BW Pro te concluderen, aldus de man. Het feit dat [betrokkene 1] formeel een eigen woning had en/of de door het hof in rov. 5.5 omschreven omstandigheden kunnen daar volgens de man niets aan afdoen, waarbij hij verwijst naar het in het cassatieverzoekschrift weergegeven juridisch kader en de besproken literatuur en rechtspraak. [25]
Het samenwonen’) van de eindbeschikking van de rechtbank kunnen worden gedestilleerd, welke feiten het hof blijkens zijn rov. 5.5 (aangehaald onder (iii)) niet als onjuist dan wel onbegrijpelijk heeft verworpen en die bovendien, zo voert de man aan, door hem uitdrukkelijk in eerste aanleg en appel naar voren zijn gebracht (opgesomd in het cassatieverzoekschrift onder 3.7 [27] ):
de gezamenlijk doorgebrachte tijd in de woningdoorslaggevend heeft geacht om te komen tot de conclusie dat sprake is van samenwonen. Het hof wijst er echter op dat:
intentiegehad om te gaan samenwonen hetgeen blijkt uit pogingen die zij hebben ondernomen om de woning in eigendom te verwerven, maar deze toekomstplannen zijn uiteindelijk niet geëffectueerd, aldus het hof in rov. 5.5.
kanzijn om te komen tot de conclusie dat er sprake was van samenwonen in de zin van art. 1:160 BW Pro, falen deze klachten bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het oordeel van het hof houdt immers niet in dat de gezamenlijk doorgebrachte tijd in de woning van de alimentatiegerechtigde nooit kan leiden tot de conclusie dat sprake is van samenwonen als vereist voor de toepassing van art. 1:160 BW Pro. Het oordeel van het hof houdt in dat, gezien de omstandigheden genoemd in rov. 5.5 en de restrictieve uitleg die aan art. 1:160 BW Pro wordt gegeven, de gezamenlijk doorgebrachte tijd in de woning
in dit gevalniet tot het oordeel leidt dat sprake is van de vereiste samenwoning.
onder 3.14-3.15ligt de
vierde klachtvan de man besloten, inhoudende dat het hof met zijn oordeel in rov. 5.5 heeft miskend dat voor de vraag of voldaan is aan het samenwoningsvereiste ex art. 1:160 BW Pro gekeken moet worden naar de feitelijke situatie. Volgens het middel is sprake van samenwoning in de zin van art. 1:160 BW Pro indien op basis van de vaststaande feiten en omstandigheden – feitelijk bezien – moet worden geconcludeerd dat sprake is van samenwonen. [31]
omschreven gevoel” van (doorslaggevend) belang is (ook gecombineerd met de overige door het hof in rov. 5.5 bedoelde feiten) blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans een onvoldoende begrijpelijke gedachtegang inzake het samenwoningsvereiste ex art. 1:160 BW Pro, aldus het middel.
feitdat de man nog kantoor hield in de woning en daar regelmatig was. Dit feit komt ook terug in de verklaring van [betrokkene 1] die door het hof wordt aangehaald (“
In de woning van [de vrouw] heb ik altijd het gevoel gehad dat er een verleden was. De woning heeft nooit gevoeld als mijn huis. Dat kwam ook omdat [de man] daar nog lang kantoor heeft gehad. Ik kwam hem geregeld tegen in de woning.”). Het hof oordeelt dat het voor hem vaststaat dat [betrokkene 1] de woning nooit als zijn woning is gaan beschouwen en dat acht het hof gelet op het door hem omschreven gevoel begrijpelijk.
vijfde klacht(cassatieverzoekschrift
onder 3.16-3.18) komt er in essentie op neer dat het bestreden oordeel van het hof – dat geen sprake was van samenwoning – rechtens onjuist althans onbegrijpelijk is in het licht van de (veronderstellenderwijs) in cassatie vaststaande feiten en omstandigheden die de rechtbank tot het (niet door het hof behandelde) oordeel hebben gebracht dat voldaan is aan de
overigeeisen die in art. 1:160 BW Pro worden gesteld, te weten een duurzame affectieve relatie, wederzijdse verzorging en een gemeenschappelijke huishouding. Het zou daarbij gaan om de feiten zoals die naar voren komen uit de door de rechtbank in rov. 2.3 van haar eindbeschikking van 13 juli 2017 onder ‘
Gemeenschappelijke huishouding en wederzijdse verzorging’ weergegeven getuigenverklaringen (en worden opgesomd in het cassatieverzoekschrift onder 3.8), alsmede de (niet door het hof verworpen) stellingen van de man ter zake in zijn verweerschrift in appel, p. 9-12. De klacht neemt tot uitgangspunt dat de feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het oordeel dat voldaan is aan de overige vereisten van art. 1:160 BW Pro ook mogen meewegen bij de beoordeling van de vraag of voldaan is aan het samenwoningsvereiste ex art. 1:160 BW Pro.
vijf cumulatieve vereistenis voldaan. Samenwonen is één van deze cumulatieve vereisten.
onder 3.19ligt een
voortbouwklachtbesloten, die het lot van de voorgaande klachten deelt.