ECLI:NL:PHR:2005:AT0412
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Gerechtelijke vaststelling vaderschap overleden man ondanks gebrek aan family life
In deze zaak verzocht de moeder van een minderjarige zoon gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van een reeds overleden man, die de biologische vader bleek te zijn. De rechtbank en het hof stelden het vaderschap vast, ondanks bezwaren van de voormalige echtgenote, dochter, moeder en broers en zusters van de man, die zich beroepen op het ontbreken van family life en op grond van art. 8 EVRM Pro bescherming van hun gezinsleven.
De Hoge Raad oordeelt dat art. 1:207 BW Pro geen vereiste stelt dat er sprake moet zijn van family life tussen de vader en het kind voor gerechtelijke vaststelling van het vaderschap. De wetgever heeft expliciet gekozen het belang van het kind te laten prevaleren boven dat van andere betrokkenen. Ook het beroep op art. 8 EVRM Pro en art. 14 EVRM Pro door de familieleden faalt, omdat de wetgever een legitiem en noodzakelijk doel nastreeft en de inmenging proportioneel is.
De Hoge Raad benadrukt dat de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap een laatste mogelijkheid is om een familierechtelijke band te creëren, ook indien erkenning door de vader niet mogelijk is wegens overlijden. De belangenafweging die het hof maakte, waarbij het belang van het kind zwaarder weegt dan het belang van de familieleden die geen relatie wensen met het kind, wordt bevestigd. Discriminatieklachten worden verworpen omdat de situaties niet vergelijkbaar zijn.
Deze uitspraak bevestigt de rechtspositie van niet-erkende kinderen en verduidelijkt de toepassing van art. 1:207 BW Pro in samenhang met het EVRM, waarbij het belang van het kind centraal staat.
Uitkomst: De gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van de overleden man jegens zijn zoon wordt bevestigd, ondanks het ontbreken van family life en bezwaren van familieleden.